Italiaanse elegantie uit het Settecento

Dat museale collecties in Frankrijk bijzonder goed voorzien zijn van Italiaanse schilderkunst, weet iedereen die in Parijs wel eens het Louvre heeft bezocht. Naast topwerken uit de renaissance, is daar een grote afdeling met werken uit de Italiaanse 17de en 18de eeuw. Maar wat er verder in Frankrijk te doen is op dat gebied, is minder gemakkelijk te overzien. Verspreid over regionale musea van Marseille tot Duinkerken en van Straatsburg tot Brest, bevinden zich onverwacht veel, vaak kwaliteitsvolle Italiaanse schilderijen uit barok en rococo. In 1988 werd in Parijs een tentoonstelling gewijd aan de 17de-eeuwse schilderkunst van bezuiden de Alpen in Frans bezit. Nu presenteert het Musée des Beaux-Arts in Lille een expositie over het Settecento – de Italiaanse 18de eeuw. Slechts vier van de getoonde werken zijn geleend uit het Louvre en andere Parijse collecties; de overige 110 geven een uitstekend beeld van wat openbare Franse collecties in `de provincie' aan 18de-eeuwse schilderkunst bezitten.

Hoewel de samenstellers kwaliteit hebben laten prevaleren boven representativiteit, zijn zo goed als alle belangrijke regionale schilderscholen van die periode wel met een paar werken vertegenwoordigd. Vanuit Rome bijvoorbeeld, is in de loop der tijd veel schilderkunst in Frankrijk terechtgekomen, zoals van Giovanni Paolo Panini. Hij plaatste episoden uit de oude geschiedenis in gefantaseerde stadsgezichten die worden gedomineerd door overblijfselen uit de Romeinse Oudheid. Het stempel dat Noordelijke kunstenaars hebben gedrukt op de Italiaanse kunst, wordt duidelijk in een werk van de Amersfoortse schilder Caspar van Wittel, die zo lang in Italië verbleef dat hij bekend staat als Gaspare Vanvittelli. Zijn Gezicht op de Tiber bij de kerk van San Giovanni dei Fiorentini is een kraakhelder en minutieus geschilderd werk in het genre waarvan hij als een van de grondleggers geldt: het topografische stadsgezicht. Uit Bologna en omstreken zijn heel andersoortige werken afkomstig, van kunstenaars als Giuseppe Maria Crespi en Donato Creti. Hun monumentale historiestukken in solide composities contrasteren op hun beurt met de fascinerend nerveus geschilderde, drukbevolkte voorstellingen van de Genovese schilder Alessandro Magnasco.

Maar de hoofdrol spelen schilders uit Venetië, zowel wat het aantal geëxposeerde werken als wat de kwaliteit ervan betreft. De titel van het zaaltje `Tiepolo en tijdgenoten' is misleidend omdat daar vooral werk van tijdgenoten te zien is – van de meester zelf is er niet veel meer dan een portret van een wat verkreukeld mannetje met baard. Maar dat wordt elders in de expositie ruimschoots vergoed door een paar magnifieke olieverfschetsen voor plafonddecoraties en altaarstukken van Giambattisa Tiepolo, en een mooie studie voor een voorstelling van Christus die aan het volk wordt getoond van Tiepolo's zoon Giandomenico. Onder de Venetiaanse werken zijn ook de vertrouwde stadsgezichten en taferelen van het elegante Venetiaanse dagelijks leven, zoals de Charlatan van Pietro Longhi. Maar ook is er een verrassend altaarstuk van Gian Antonio Guardi. Met een brede penseelstreek die een soort `soft-focus' effect sorteert, schilderde Guardi de Emmaüsgangers in een spectaculair beweeglijke compositie.

Dit meesterwerk van Guardi is nog maar een paar jaar geleden herontdekt, in de kapel van een zijdefabriek in Les Andelys niet ver van Parijs. Het moet daar in de loop van de 19de eeuw terecht zijn gekomen, en daarmee illustreert het werk iets van de verzamelactiviteiten op het gebied van Italiaanse 18de-eeuwse schilderkunst in Frankrijk, waarvan de catalogus een tip van de sluier oplicht. Van maar weinig van de getoonde werken is het namelijk zeker dat ze al in de achttiende eeuw in Frankrijk terecht zijn gekomen. Weliswaar waren bijvoorbeeld de fantasievolle ruïnecapriccio's van Panini destijds erg in trek bij reizigers die Rome op hun Grand Tour aandeden, en van een enkel werk kan worden verondersteld dat het direct bij de schilder is besteld. Maar het is veelzeggend dat er in de tentoonstelling geen enkel portret te zien is dat ter plaatse van een Grand-Tourist is gemaakt.

De Franse collecties moeten het vooral hebben van schenkingen, legaten en aankopen van particuliere verzamelaars die in de loop van de negentiende en 20ste eeuw schilderijen uit het Settecento hebben verworven. Wat dat betreft is de situatie vergelijkbaar met die in Nederland. Maar het is ook opvallend dat verschillende regionale musea ook nog zeer kort geleden de blik over de grens blijken te hebben gericht en op dit gebied aankopen hebben gedaan. Dat heeft, zoals blijkt uit de recente commotie rond het voornemen van het Rijksmuseum om een werk van Tiepolo aan te schaffen, in Nederland heel wat meer voeten in de aarde.

Tentoonstelling: Settecento; le siècle de Tiepolo. Palais des Beaux-Arts (Place de la République, Lille). T/m 30/4. Geopend ma 14-18; woe-zo: 10-18 uur; di gesloten. Catalogus: 306 blz., FF. 240. Inl. 0033-3-20067800.