Gezusters

We hebben nu allebei een leesbril en pillen in onze tas, mijn zus en ik. Vandaag zijn we bovendien als dames verkleed. Want zij moet `iets officieels' en ik ga mee om `officieel' op te leuken.

Nauwelijks in de trein hebben we al de slappe lach en op het busstation zijn we weer pubers. Zij zwaait met haar tas als met een schooltas, ik praat Rotterdams, de taal van onze jeugd. Terwijl zij – met een grote zak frites in haar hand – de stervende zwaan-scène doet en ik – lurkend aan een blikje bier – met mijn hand tussen mijn benen sta te trappelen alsof ik nodig moet, komt de bus aan.

Ik klem patat en bier rechtop in mijn dure tas en ren, struikelend van de lach en mijn damesschoenen, achter haar hoge hakken aan. Ze slaat haar benen naar opzij uit, net als toen ze nog afgezakte sokken en Robinsonsandalen droeg.

Als zij – met uitgestreken smoel – de strippenkaart voor de bestuurder neerlegt, schuif ik met de walmende open tas achter haar langs en vraag – net zo uitgestreken – aan haar rug: ,,Achteraan zeker?'' Haar wervelkolom die even naar voren veert, geeft aan dat ze moeite heeft haar ernst te bewaren. En denk maar niet dat de kinderen die zij heeft grootgebracht, ooit met eetwaar in een bus mochten!

Wij ploffen neer op de achterste bank. Mijn broek en tas drijven van het bier, mijn handen kleven, zij slurpt luidruchtig de mayonaiseklodders van haar kwaliteitsrok en nog aldoor worden we jonger.