Eenling tegenover machtige bankiers

,,Goudgerande waarden'' dacht ir Kees Thunnissen over de obligaties van DAF die hij in 1990 kocht. Bij het faillissement van de truckfabriek in 1993 bleken ze echter geen cent waard. De banken hadden alle activa ingepikt. Morgen krijgt volhouder Thunnissen na acht jaar misschien toch nog zijn recht via de Hoge Raad. Zijn kansen lijken goed. De claim op de banken is intussen opgelopen tot 270 miljoen gulden.

Na acht jaar vragen stellen, lobbyen en procederen staat ir Kees Thunnissen (75) morgen bij de Hoge Raad der Nederlanden en de kans is groot dat hij daar gaat winnen van de vrijwel complete Nederlandse bankierswereld.

,,Bij alles dat ik deze zaak aanpakte, vond ik dat ik sterker stond'', zegt Thunnissen. ,,Ondanks de uitrook-tactiek van de banken wilde ik de procedure niet staken.'' Helemaal zeker is de uitspraak niet: de Hoge Raad heeft het oordeel al verschillende malen uitgesteld.

Thunnissen heeft volgens zijn eigen schatting de afgelopen jaren meer dan 8.000 uur besteed aan deze ene zaak. Zijn zaak. Het geld terugkrijgen dat hij in goed vertrouwen als belegger had uitgeleend aan truckfabrikant DAF die in februari 1993 bankroet ging. Thunnissen bezat effecten met een vaste rente (obligaties) die DAF in 1988 had uitgegeven. Goudgerande effecten, dacht hij. Niet alleen omdat hij DAF goed kende; hij had er tien jaar gewerkt, van `54 tot `64. ,,Toen was het een gezonde onderneming, met een sterke service'', herinnert hij zich.

Goudgerand ook omdat de obligaties de beleggers extra zekerheid gaven als ruige financiële tijden zouden aanbreken. De obligatiebeleggers, zo beloofde het prospectus, zouden gelijkelijk met de banken delen in de bezittingen van het concern, mocht DAF onverhoopt aan zijn banken machines, vastgoed of andere eigendommen als zekerheden geven voor de terugbetaling van kredieten.

De uitgifte van obligaties ter waarde van 150 miljoen gulden, met een jaarlijkse rentevergoeding van 6,75 procent was in 1988 het debuut van het besloten familiebedrijf DAF in de Nederlandse beleggerswereld. De obligaties waren een voorbode van het echte werk voor de bankiers, de aandeelhouders en de topmanagers: de beursgang van het concern in 1989.

De Amro Bank, die de plaatsing van de obligaties had geleid namens een breed samengesteld syndicaat van banken, ging ook de beursintroductie doen. De Amro Bank kende DAF als weinig anderen. Zij was huisbankier en bovendien een van de aandeelhouders. De beursgang werd een volkskapitalistisch succes dat zelfs doorgewinterde specialisten verraste.

Voor Thunnissen was de clausule over de zekerheden voor de obligatiebeleggers cruciaal: hij wist dat DAF in het verleden met enige regelmaat door slechte tijden was gegaan en het hoofd maar nauwelijks boven water had kunnen houden. Soms hielp de overhand DAF een handje om uit het dal te krabbbelen, met een mooie defensie-opdracht bijvoorbeeld.

Thunnissen kocht de DAF-obligaties in 1990. Voor zijn pensioenvoorziening. Dan kun je niet voorzichtig genoeg zijn. ,,Die zekerheidsclausule vond ik wel belangrijk.''

Het liep anders.

DAF ging in februari van 1993 failliet, maar werd vervolgens, met een kapitaalinjectie van de banken en van de Belgische en Nederlandse overheden, opnieuw overeind gezet. De nieuwe eigenaren verkochten hun aandelen na de succesvolle ,,doorstart'' drie jaar later met een aantrekkelijke winst aan de Amerikaanse producent Paccar. De boekwinst voor de overheid was 154 miljoen gulden.

De aandeelhouders van het ,,oude'' DAF waren hun geld kwijt. En de obligatiebeleggers ook. Thunnissen:,,Mensen die de obligatie gekocht hebben op de integriteit van de banken, die kregen niets. Het is de omgekeerde wereld.''

Helaas, zeiden de banken tegen de obligatiebeleggers. U heeft inderdaad recht op zekerheden, maar DAF bezit niets, zij heeft als houdstermaatschappij louter aandelen in talrijke dochterbedrijven. En opnieuw, helaas, die aandelen zijn niets waard. Zelf hadden de banken alle materiële bezittingen van deze dochters eerder van de bestuurstop van DAF als zekerheid gekregen voor de terugbetaling van hun kredieten. Zonder dat iemand het toen wist hadden de banken, onder leiding van de latere topman J. Kalff van ABN Amro, in februari 1992 DAF het mes op de keel gezet.

Het concern had haar financiële prognoses niet waargemaakt en over 1991 meer verliezen geleden. DAF moest alle bezittingen in onderpand aan de banken geven, anders dreigden de kredieten te worden opgezet. Dat was op 18 februari. De volgde dag toog een topdelegatie van DAF naar Amsterdam om de talloze stukken te tekenen.

Toen het later dat jaar echt spannend werd besloot bestuursvoorzitter R. Hazelhoff zijn beste man op het dossier te zetten. Bestuurslid R. Groenink kreeg de klus, al was hij het middelpunt van controverses na twee mislukte reddingsacties bij automatiseringsbedrijf HCS, een grote klant van de bank. Groenink is inmiddels bijna een jaar voorzitter van de raad van bestuur van ABN Amro.

In 1992 hadden de beleggers niet in de gaten dat de materiële zekerheden aan hun neus voorbij waren gegaan, dat kwam pas later.

Thuis, ergens tussen Den Bosch en Eindhoven, staat Thunnissen voor 16 stalen archiefkasten. Vier rijen, met elk vier lagen. Zijn DAF-archief. Zijn wapen. Alles wat hij de afgelopen acht jaar heeft gedaan om zijn recht te halen, zit hier in. Hij bespeelt het archief zoals een organist de knoppen en pedalen van een kerkorgel.

Roetsj. Een archiefla komt tot leven.

Zijn eerste brief aan de raad van bestuur van DAF in november 1992, maanden voordat DAF uitstel van betaling aanvroeg. Thunnissen liet DAF zijn bezorgheid weten over de steeds penibeler financiële situatie. De brief was overigens kwijtgeraakt, berichtte DAF hem later, toen hij opheldering vroeg over het uitblijven van antwoord.

Roetsj. Zijn brieven aan de trustmaatschappij. Formeel moet de trustee de belangen van de obligatiebeleggers behartigen. Maar die ondernam pas actie toen de beleggers dat eisten. Gebrek aan doortastendheid, gebrek aan geld en, zo denkt Thunnissen, de invloed van het aandeelhoudersbelang van ABN Amro, die toentertijd de helft van de aandelen bezat.

Roetsj. Een vertrouwelijk rapport dat twee coryfeeën van het Nederlandse ondernemingsrecht, wijlen professr W. van der Grinten en hoogleraar B. Kortmann uit Nijmegen, opstelden voor de trustmaatschappij. Zij kwamen tot de conclusie dat de obligatiebeleggers recht hebben op hun deel van de zekerheden, of die nu van DAF of van de dochters van DAF zijn. Het is één concern.

Thunnissen vreesde dat de trustmaatschappij bij een eventuele rechtszaak geen been had om op te staan. Daarom procedeert hij ook zelf. De trustee was eerder akkoord gegaan met de verstrekking van de materiële zekerheden aan de bank en niet aan de obligatiebeleggers.

Aanvankelijk deden gedupeerde beleggers niets. Maar gespecialiseerde financiële opkopers in Londen en New York snoven na het bankroet dat er iets loos was in Nederland. Zij kochten de obligaties tegen afbraakprijzen met grote pakketten tegelijk. Op een gegeven moment was meer dan de helft van de effecten in handen van Britse en Amerikaanse ,,aasgieren''.

Een van de opkopers, G. Klesch, entameerde zelfs voorlopige getuigenverhoren bij de Amsterdamse rechtbank. Vooral voormalig president A. van der Padt van DAF, onder wiens leiding de obligaties in 1988 waren uitgegeven, liet daar een onvergetelijke indruk achter. Hij hield vol dat het de bedoeling was geweest dat de beleggers zouden delen in alle bezittingen van DAF, inclusief die van de dochtermaatschappijen.

Begin 1997 verloren de beleggers de eerste rechtszaak tegen het bankensyndicaat bij de Amsterdamse rechtbank. Ruim anderhalf jaar later kregen zij wel gelijk van het Amsterdamse gerechtshof. De zaak is inmiddels knap complex: de procedure heeft twee eisers, de trustmaatschappij en Thunnissen, tegen onder meer het bankensyndicaat, de curatoren van DAF én tegen ABN Amro.

De banken gingen na het verlies bij het hof in cassatie bij de Hoge Raad. Vorig jaar concludeerde advocaat-generaal mr J. Spier van het hoogste rechtscollege ten gunste van de beleggers. De koers van de obligaties, die na het bankroet van DAF gedaald was tot bijna niets, ging met sprongen omhoog. ,,De werkelijke schade is geleden door mensen die tijdens en na de ondergang van DAF, in 1992 en 1993, in paniek verkocht hebben.''

Eind vorig jaar zou de Hoge Raad uitspraak doen, maar dat werd vanwege de complexiteit drie maanden uitgesteld. De eis namens de gezamenlijke obligatiehouders is inmiddels met de rente opgelopen tot meer dan 270 miljoen gulden.