De ruimte mist een eigen prullenbak

Overal waar mensen komen laten ze sporen na, dus ook in de ruimte. Alleen al in 1999 keerde 193.000 kilo ruimteschroot terug naar de aarde. Het ruimtestation Mir zal daar morgen het zijne aan toevoegen.

Het International Space Station, dat al 853 dagen om de aarde cirkelt, moest vorige week uitwijken. Radars meldden dat een object van vijf kilo de baan van het ruimtestation dreigde te kruisen. Het object scheerde uiteindelijk op ongeveer twaalf kilometer langs het ISS.

Het zal niet de laatste keer zijn dat het ISS wordt gehinderd door ruimteschroot. Overal waar mensen komen, laten ze hun sporen na. Dus ook in de ruimte. Niemand weet precies hoeveel rommel er boven ons hoofd tolt, sinds in 1957 de Sovjet-Unie de Spoetnik I lanceerde. Deskundigen gaan uit van ruim tweeduizend ton, verdeeld over duizenden grotere en kleinere stukken. Daarnaast zwermen er ontelbare snippertjes door de ruimte, van metaalsplinters tot verfschilfers, vaak in grote wolken.

Een deel van de troep komt willens en wetens in de ruimte terecht, zoals de trappen van raketten die worden afgestoten omdat hun werk er op zit, beschermkappen van lenzen, hoezen van onderdelen die pas dienst doen als een satelliet zijn definitieve baan heeft bereikt. Er doen in ruimtevaartkringen ook verhalen de ronde over kosmonauten die in het verleden ruimtestations schoonhielden door de rommel domweg buiten boord te zetten. Ook satellieten die hun werk hebben voltooid, blijven soms nog lang en stuurloos in een onhandige baan om de aarde cirkelen.

Maar het meeste ruimteschroot is onbedoeld. Een gevolg van een explosie van een satelliet, het verlies van een onderdeel. Ook de zilvergrijze handschoen van de Amerikaanse astronaut Edward White, die hij verloor tijdens zijn eerste ruimtewandeling in 1965, zweeft nog ergens door het al. Dramatisch was de botsing van een Franse spionagesatelliet in 1996 met een restant van een Ariane raket.

In Darmstadt zijn dezer dagen ruimtevaartdeskundigen bijeen om over het probleem van het ruimteschroot te spreken. Ze hadden, aan de vooravond van het einde van het Russische ruimtestation Mir, geen beter moment kunnen kiezen. Al zullen ze daar nauwelijks over spreken, althans niet over het gevaar van de terugkeer van de Mir voor mensen op aarde. Het risico dat zich een ramp voltrekt is, menen deskundigen, zeer gering.

Neem bij voorbeeld 1999. In dat jaar keerde 193.000 kilo materiaal terug in de dampkring. Tussen de 70 en 90 procent daarvan verbrandde voor het de aarde kon bereiken. Waardoor er in totaal niet meer dan 48.000 kilo op het aardoppervlak neerkwam. Driekwart van het aardoppervlak is water, dus is in 1999 uiteindelijk zo'n 10.000 kilo ruimteafval op land terechtgekomen. En omdat de zeven mensen die gemiddeld op één vierkante kilometer van dit oppervlak leven niet meer dan speldenknopjes zijn, is de kans dat iemand daadwerkelijk geraakt wordt verwaarloosbaar klein.

Toch kan niet geheel worden uitgesloten dat er iets misgaat. Het zou in ieder geval niet de eerste keer zijn. In 1978 kwamen grote delen van de Sovjet-satelliet Kosmos 954 in het noorden van Canada terecht. Mensen werden er niet geraakt, maar het ding had een nucleaire aandrijving, waardoor een omvangrijk gebied radioactief besmet raakte. Het kostte Canada destijds meer dan 6 miljoen dollar om de rotzooi op te ruimen, waarvan de Sovjet-Unie na veel getouwtrek de helft heeft betaald.

Amper een jaar later was het de beurt aan het Amerikaanse Skylab. Het ruimtestation begon te bibberen van een onverwachte verhoging van de zonneactiviteit en stortte neer in de Indische Oceaan, een klein deel kwam terecht op de Australische westkust, een zeer dunbevolkt gebied. Alleen een koe werd door een stukje Skylab gedood. Op 7 februari 1991 keerde het ruimtestation Saljoet 7 naar de aarde terug. Het ding woog ruim 36.000 kilo en werd op het laatste moment onbestuurbaar. Die avond was er in de lucht boven Argentinië een prachtige sterrenregen te zien. De volgende ochtend lagen de straten van Capitán Bermúdez, 400 kilometer van Buenos Aires, bezaaid met metaalresten. Niemand raakte gewond.

De enige die, voor zover bekend, ooit werd getroffen door ruimteschroot is een vrouw uit Oklahoma. In jauari 1997 kreeg ze een stukje metaal op haar schouder, zonder daarbij gewond te raken. Diezelfde dag vond een man in Texas een 250 kilo zware brandstoftank op zijn land, en werd even verderop een 30 kilo zwaar compressievat gevonden.

Ruimtevaartdeskundigen vrezen vooral de schade die het afval in de ruimte zelf kan aanrichten. Een aluminium metaalsplintertje dat met 35.000 kilometer per uur door de ruimte raast, een heel gewone snelheid, heeft een kracht die vergelijkbaar is met die van een bowlingbal die met 100 kilometer per uur over een baan rolt. Een stukje afval ter grootte van een kiezelsteen verzamelt net zoveel kinetische energie als een kluis van 150 kilo die van 100 meter naar beneden wordt gegooid. Dat kan hard aankomen.

Een oplossing voor het probleem is er niet. Want in tegenstelling tot veel andere milieuvervuiling zijn er geen technieken om de rommel op te ruimen. Er zit niets anders op dan de rommel in de gaten houden. North American Air Defense (NORAD) volgt op dit moment ruim achtduizend objecten, die allemaal genummerd zijn en waarvan de baan voortdurend wordt berekend. Maar als ze kleiner worden dan een voetbal kan de radar ze niet meer zien. Andere radarsystemen gaan tot objecten van minimaal 1 cm.

Futuristische ideeën, zoals laserkanonnen en ruimteparaplu's, zijn onrealistisch. Het beschieten van het schroot zou alleen maar leiden tot meer kleinere delen. En een ruimteparaplu kan nooit brokstukken opvangen die alle kanten op vliegen. Voorlopig kan alleen worden getracht de groei van het afval te beperken. Maar daarvoor moeten ruimtevaartuigen steviger (en dus duurder) worden en zouden ze vaker aan het eind van hun dienstbare leven de dampkring in moeten worden gestuurd, wat opnieuw dure extra technologie vereist.

De resten waarvan we de komende eeuwen niet verlost zullen zijn, kunnen misschien in een vaste, gezamenlijke baan worden geleid. De kolonisatie van de ruimte zou pas echt begonnen zijn met de plaatsing van zo'n prullenbak.