Bultenjurken en eskimorokken

In het Centraal Museum in Utrecht gaat deze week de expositie Made in Japan van start. Een tentoonstelling waarin een nieuwe generatie Japanse mode-ontwerpers centraal staat, zoals Watanabe en Ohya. Maar ook grote, reeds lang gevestigde namen als Issey Miyake en Comme des Garçons zijn aanwezig. Op de expositie zijn ook foto's te zien van Maurice Boyer, die bekende en minder bekende Nederlanders portretteerde, gehuld in hun favoriete Japanse kledingstuk. Over een modebeeld dat allesbehalve Westers is.

Wat voor kledingstuk je ook aantrekt van een Japanse ontwerper, één ding staat vast: het levert altijd een gesprek op. Over mooi en lelijk, over erotiek en afstotelijkheid, over vorm en functie, over mannelijk en vrouwelijk. Al draagt iemand een eenvoudige sjaal van Issey Miyake of een simpel colbert van Yamamoto, er is altijd wel iets aan het bewuste kledingstuk dat intrigeert en vragen oproept. De ene keer is het de manier waarop de stof valt, de andere keer de ingenieuze coupe of het materiaal.

De Japanse ontwerpers zijn een groep apart in de internationale modewereld. Ze geven zelden of nooit interviews. Hun houding is zeer bescheiden: je zult ze niet gauw aan het eind van een modeshow het applaus in ontvangst zien nemen. De Japanse modehuizen houden zich verre van gelikte reclamecampagnes à la Calvin Klein of Christian Dior en het steeds weer bedenken van trends. Ze concentreren zich eerder op nieuwe vormen en functies, in plaats van op de zoveelste variant op hetzelfde kledingstuk. Natuurlijk moet de kleding verkocht worden, maar wel aan mensen die de nieuwe ideeën omtrent de vorm en de stijl snappen en waarderen. Japanse mode is niet voor niets zo populair bij mensen die zich beroepshalve met vorm bezighouden, zoals architecten, vormgevers, ontwerpers, kunstenaars.

Chris Dercon, directeur van museum Boijmans van Beuningen zweert bijvoorbeeld al jaren bij een broek van het Japanse Comme des Garçons. Het origineel van de broek is inmiddels versleten, maar Dercon heeft een kleermaker gevonden die het ontwerp al twee keer voor hem heeft nagemaakt. Zijn personeel noemt het ontwerp schamper `de pyjamabroek' en ook zijn regenjas van Yamamoto heeft een bijnaam gekregen: de

`patersjas'. De directeur zit er niet mee. ,,Die paterachtige uitstraling inspireerde mij om in Kyoto op zoek te gaan naar alledaagse kleding van de Shinto-priesters. In een buitenwijk vond ik een winkel. Via een catalogus bestel ik nu zo'n kledingstuk voor een tiende van de prijs van een Yohji of Comme-stuk. Het werd me ineens duidelijk waar zij hun inspiratie vandaan haalden.''

Dercons lievelingsbroek vormt samen met de favoriete kledingstukken van andere min of meer bekende Nederlanders een onderdeel van de expositie Made in Japan in het Centraal Museum. Fotograaf Maurice Boyer maakte er een serie portretten bij, die begeleid worden door korte interviews.

De expositie in het Centraal Museum draait om de jongste generatie Japanse ontwerpers. Zij exposeren daar samen met de oudere generatie, die in de jaren tachtig voor het eerst Japanse mode met succes introduceerde in het Westen. Hun verschijning op het internationale podium was destijds de opvallendste ontwikkeling op modegebied. De stijl die zij introduceerden stond namelijk in schril contrast tot de uitbundige glamour-stijl à la Dynasty en de powersuits. De Japanse mode bestond vooral uit over elkaar heen gedragen, losvallende, vakkundig gesneden kleding, gemaakt van natuurlijke stoffen in marineblauw, grijs, zwart, wit of crème. De stijl was sober en ingetogen. Ten grondslag aan de ontwerpen lag traditionele werkkleding uit oost en west en kleding die vroeger door arme mensen werd gedragen.

Tot die eerste generatie ontwerpers horen Kenzo, Rei Kawakubo (het creatieve brein achter het merk Comme des Garçons), Yohji Yamamoto en Issey Miyake.

Kenzo ontbreekt op de expositie, omdat hij zijn collecties altijd heeft ontworpen volgens Westerse opvattingen: commercieel, trendy en uitgevoerd in kledingstukken die in het Westen heel gewoon waren. De anderen bleven hun traditie en cultuur trouw, aldus conservator José Teunissen, en doen wel mee. Zij vertegenwoordigen die typische Japanse stijl: niet-Westers, conceptueel en experimenteel. Zij vormen de basis van waaruit de jonge garde verder werkt. Immers, veel jonge ontwerpers gaan in de leer bij de oude meesters, blijven daar werken en experimenteren intussen in hun eigen collecties verder.

In een transparante opstelling – het publiek loopt over een witte, verlichte catwalk waar aan weerszijden de creaties op subtiel uitgelichte sokkels gepresenteerd worden – laat het Centraal Museum verdeeld over twee zalen een selectie kleding zien van de oude en nieuwe generatie. Kledingexperimenten met gaten, rafels en gekookte wol, een bultenjurk van Rei Kawakubo, een gewatteerde kasjmier rok met bont uit de eskimo-collectie van Yamamoto, futuristische plissee-ontwerpen van Miyake, maar ook een creatie van ontelbare dunne laagjes voile van Watanabe.

De creaties omschrijven is vaak moeilijk, het verhaal erachter daarentegen niet. Zo verklaarde Yamamoto ooit in een film van Wim Wenders waarom hij zo gefascineerd is door gedragen en versleten werkkleding. Elke plooi en elke slijtageplek geven volgens hem een werkjas of schort iets herkenbaars en persoonlijks. Zelfs aan de kapstok weet je wie de eigenaar is. Die details brengen kleding tot leven, aldus de ontwerper.

Vakmanschap, coupe-technische hoogstandjes, asymmetrie, veelvuldig gebruik van basisvormen en het gebruik van technisch hoogwaardige materialen kenmerken de Japanse ontwerpen. Het is natuurlijk leuk om die kleding te bekijken, maar het is nog leuker om te zien dat deze kleren inderdaad gekocht en gedragen worden. De aanwezigheid van particuliere kledingstukken compleet met slijtageplekken geeft de expositie een menselijk trekje. Ook is het interessant om te lezen wat mensen nu zo aantrekt in de Japanse mode. ,,De ontwerpen zijn mooi grafisch zonder dat het saai wordt, ze hebben altijd raffinement'', zegt ontwerpster Biene Burckhardt, die al sinds de jaren tachtig kleding koopt van Yamamoto, Miyake en Comme des Garçons. ,,Het bijzondere van de ontwerpen van Comme des Garçons en ook van Miyake is dat ze met minimale middelen een maximaal effect sorteren'', vindt kunsthistorica en Japan-deskundige Madeleine Wardenaar. En Pauline Terreehorst, publicist en adviseur in de woningbouw, zegt het zo: ,,Het is bijzonder, zonder dat je het gevoel hebt dat je voor gek loopt.'' Zij heeft onder meer kleding van Comme des Garçons.

Emmy Miltenburg, directeur Stichting Kinderopvang en liefhebber van Yamamoto en Comme des Garçons, zegt: ,,Ik hou van simpele, sportieve kleren, ik wil ze altijd en bij elke gelegenheid kunnen dragen en met deze kleding kan dat. Mijn blouse/jurk van Comme des Garçons met een donkerblauwe gebreide achterkant heb ik in 1988 gekocht en ik draag hem nog altijd. En als ik dezelfde jurk nu in een winkel zou tegenkomen, zou ik hem zonder aarzelen weer kopen.''

Minstens zo bijzonder als de mode van de `oude' generatie, maar nog vrij onbekend, is het werk van de nieuwe generatie Japanners die momenteel aan de weg timmert. Het is een verrassende kennismaking met relatief nieuwe namen als Junya Watanabe (geschoold bij Comme des Garçons en inmiddels een gevierd ontwerper), Gomme, Schinichiro Arakawa, Masaki Matsushima, Hiroaki Ohya en Kosuke Tsumura. De laatsten leerden het vak bij Miyake en zijn daar nog steeds in dienst.

Wat hen onderscheidt van hun voorgangers is dat ze nóg meer gefocused zijn op het ontwerp, het concept en minder op wie het draagt. De weg naar het uiteindelijke ontwerp, inclusief de experimenten met stof, coupe en constructie, is het belangrijkste. Toch zijn de kledingstukken draagbaar, je moet alleen vaak door de presentatie heen kijken: Ohya bijvoorbeeld presenteert zijn kledingontwerpen in boeken of tijdschriften. In een serie van 21 delen, getiteld The Wizzard of Jeanz, komen bij het openslaan van de boeken als een harmonica topjes en jurkjes tevoorschijn die ook gewoon gedragen kunnen worden. De serie is te koop in de kunstboekhandel, omdat Ohya een ander, ernstiger publiek wil bereiken, dat zijn werk beschouwt als kunst. Hij zegt niet in mode geïnteresseerd te zijn, alleen in onderzoek.

Tsumura liet zich in 1994 door zwervers in New York inspireren tot het ontwerpen van het label Final Home. Kern van de collectie vormt een knaloranje regenjas, waarin achter een aantal lange ritsbanen 44 zakken verborgen zitten. Daarin kunnen zachte kussentjes, boodschappen en voorraden worden bewaard. Een ideaal kledingstuk voor de urban survivor. De jas werd een hit onder hippe, Japanse jongeren.

Ontwerper Arakawa werkt altijd volgens een strak concept, zoals bijvoorbeeld in zijn schilderijcollectie uit 1999. Hierin presenteerde hij zijn creaties voor het winterseizoen 1999/2000 in schilderijlijsten aan de muur. De bijbehorende handleiding luidde: haal het doek uit het frame, doe je hoofd door de opening, sla de stof om je lichaam en maak de rits of de knopen dicht.

Dat conceptuele denken van de Japanners lijkt op de manier van werken van Nederlandse modeontwerpers als Niels Klavers en Saskia van Drimmelen. Het grote verschil is dat in Japan de textielindustrie omvangrijk is, waardoor ontwerpers makkelijk een producent kunnen vinden voor hun collectie èn dat Japanners veel geld uitgeven aan mode, waardoor een klein merk een behoorlijke overlevingskans heeft. Dat de Japanse stijl in ons land aanslaat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Italië – de grote namen zijn hier in enkele door de modehuizen zelf geselecteerde winkels verkrijgbaar – heeft wellicht te maken met hun sobere stijl, die past bij onze calvinistische weerzin tegen al te opzichtige glamour en opsmuk.

Bovendien is de Japanse stijl tijdloos en draagbaar, ook als je maat 42 hebt. Mieke Bal, hoogleraar theoretische literatuurwetenschappen en in het bezit van een grote collectie Japanse merken, is heel duidelijk: ,,De ontwerpen verouderen niet. Ze zijn tijdloos, je hoeft er geen Twiggy voor te zijn en ook niet heel jong en dat waardeer ik nu. Het zijn kleren die je mooi maken, zonder dat ze nadrukkelijk sexy zijn. Wat dat betreft zijn het heel geëmancipeerde en feministische kleren.''