Andermans moeders nodig op de overblijf

Hoewel er wekelijks driekwart miljoen kinderen hun brood op school eten, berust de tussenschoolse opvang nog steeds bij vrijwilligers.

SLEUTELKINDEREN WERDEN ZE genoemd in de jaren zeventig. Kinderen van werkende moeders, die zelf thuis de deur moesten openmaken – en de sleutel meestal aan een touwtje om de nek meedroegen. Tussen de middag gingen zij niet naar huis, maar aten ze hun boterhammen in een hoekje van het leslokaal, alleen of soms met een paar lotgenoten. Overblijven was zielig en (in de ogen van andere ouders) afkeurenswaardig. Moeders hoorden thuis te zijn. Ook de schoolleiding straalde dat gevoel uit. Veel scholen verboden kinderen om tussen de middag in het schoolgebouw aanwezig te zijn. Pas in 1983 is wettelijk vastgelegd dat scholen in ieder geval de mogelijkheid moeten bieden om leerlingen te laten overblijven. De ouders zèlf waren verantwoordelijk voor de organisatie daarvan. In die situatie is nog niets veranderd.

Nu in steeds meer gezinnen beide ouders werken, zijn overblijfkinderen al lang geen uitzondering meer. Op dit moment gaan circa 1,7 miljoen kinderen naar het basisonderwijs; ongeveer de helft van hen eet ten minste één dag per week zijn boterhammen op school op. Op de meeste dagen blijft gemiddeld een derde tot de helft van het aantal kinderen in een klas tussen de middag op school. Een groeiend aantal scholen kiest er zelfs voor om alle kinderen verplicht op school te laten eten. Op die manier is er geen onrust bij het halen en brengen tussen de middag en voorkomt de school dat er onderlinge jaloezie tussen de kinderen optreedt.

Voor de ouders is het prettig of noodzakelijk dat de kinderen niet tussendoor naar huis komen. Maar wat vinden kinderen er zelf van? De onderzoeken stemmen niet vrolijk: zo kwam de Commissie Dagindeling (die voor het ministerie van Sociale Zaken onderzoekt hoe werk en zorg beter gecombineerd kunnen worden) vorig jaar met een rapport waaruit bleek dat ongeveer alle ondervraagde leerlingen negatief waren over het overblijven. Kinderen klagen over de drukte, over het gebrek aan speelmogelijkheden, over de wel heel erg strenge overblijfmoeders en over het onderlinge gepest van kinderen.

Een rondgang in de eigen omgeving levert ook zonnigere verhalen op: vooral als het overblijven beperkt blijft tot één à twee keer in de week, vinden kinderen het juist heel leuk om tussen de middag op school te blijven. Belangrijk daarbij is dat er een rustige gelegenheid is om te eten, met onderscheid tussen jongere en oudere kinderen, dat er voldoende speelmateriaal is en dat er genoeg vriendjes of vriendinnetjes `op de overblijf' zijn. Probleem blijft dat kinderen tussen de middag minder mogelijkheden hebben om de vrije tijd naar eigen keuze in te vullen. Zo hanteren veel overblijfmoeders de stelregel dat kinderen zoveel mogelijk buiten moeten spelen: voor het ene kind een zegen, voor het andere een zware straf.

,,Hoe het overblijven is geregeld, verschilt enorm per school. Sommige scholen verzorgen het heel goed, maar er zijn ook scholen waar dagelijks veertig, vijftig of zestig kinderen in een aula bij elkaar worden gezet. Vier- en twaalfjarigen door elkaar heen. Dan kun je niet spreken van een ideale oplossing'', zegt Tineke van der Kraan, voorzitster van FNV Vrouwenbond. Terwijl de vraag naar `tussenschoolse' voorzieningen de afgelopen jaren explosief is gestegen, is de organisatie van het overblijven nog steeds een zaak van vrijwilligers, veelal de moeders. Waar er bovendien steeds minder van te vinden zijn, omdat vrouwen vaker voor betaald werk kiezen.

,,In de politiek roept wel iedereen halleluja over het feit dat steeds meer vrouwen werken, maar voor de problemen die dat oplevert, is toch maar heel weinig oog'', stelt Van der Kraan.

Ook de scholen zelf worstelen met het overblijfprobleem. Enerzijds willen veel scholen nog steeds niet verder gaan dan hun wettelijke plicht om ruimte beschikbaar te stellen, anderzijds is het voor de leerkrachten 'smiddags lastig lesgeven als de kinderen zich tussen de middag niet voldoende hebben kunnen opladen. Bovendien worden ouders ook kritischer. De overblijffaciliteiten op een school wegen steeds zwaarder mee in de keuze voor een school. Een aantal scholen is daarom driftig op zoek naar manieren om de opvang tussen de middag op een andere manier aan te pakken, bijvoorbeeld door het werk van de overblijfmoeders over te dragen aan organisaties die gespecialiseerd zijn in kinderopvang. Of door op school een zogeheten `continurooster' in te voeren, waarbij de kinderen een kortere pauze hebben, allemaal op school eten, en daardoor 'smiddags ook eerder klaar zijn.

Dat het overblijven anders moet, daar is iedereen wel van overtuigd, zegt FNV-bestuurster Van der Kraan. Maar de molens op de ministeries draaien langzaam. Dat de tussenschoolse opvang onder de verantwoordelijkheid valt van drie ministeries (OC&W, VWS en SZW) verhoogt het tempo van aanpak niet. Anderhalf jaar geleden presenteerde de FNV-bond samen met de Vrouwenalliantie en het Netwerk Kinderopvang een plan aan staatssecretaris Adelmund van Onderwijs om de tussenschoolse opvang professioneler aan te pakken. Kernpunt daarin is dat het overblijven de taak wordt van geschoolde krachten. Om dat te bereiken kunnen de huidige overblijfmoeders worden bijgeschoold, maar ook instellingen voor buitenschoolse opvang (BSO) zouden personeel kunnen leveren.

Meer professionaliteit betekent wel dat de overblijfkosten (nu meestal tussen de 1,50 en 4 gulden per dag) flink omhoog zullen gaan. In het plan van de Vrouwenbond wordt dit ondervangen door de overheid en de werkgevers te laten meebetalen aan deze opvang – zoals nu al gebeurt bij kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Van der Kraan: ,,Zowel de politiek als de scholen leggen het probleem steeds weer op het bordje van de ouders. Dat kan zo niet doorgaan.''