Toneelstuk Albanese rebellen mislukt

Op de berg boven Tetovo vechten Albanezen tegen de Macedoniërs. Ze geven zich uit voor burgers, maar kunnen hun toneelstukje niet lang volhouden.

Commandant Latifi speelt de onschuld zelve. ,,Macedonische troepen vallen onschuldige burgers aan'', zegt hij en trekt een schuur open. Onder een brandend peertje zitten dertig angstige vrouwen en kinderen op elkaar gepakt. Op hetzelfde ogenblik slaan twee mortieren vlak buiten het dorp in met een denderende klap. Triomfantelijk steekt Latifi zijn vinger in de lucht. ,,Ziet u wel?'' Maar zijn toneelstukje – ,,Hier zijn alleen burgers'' – valt in duigen als in een onbewaakt ogenblik dorpelingen achter zijn rug om geweren aan elkaar doorgeven.

Commandant Latifi had nog zo gepoogd de regie te voeren. Het groepje journalisten dat onverwachts in het dorp Germo op de bestookte heuvel was verschenen, werd in alle haast naar de moskee gebracht. Na een half uur was het dorp `gereed' voor een rondleiding door de commandant en mochten we naar buiten. De commandant zegt leraar geschiedenis te zijn. Maar dat verhaal maakt hij nauwelijks geloofwaardig. Op zijn hoofd prijkt een pet met het woord komando.

In de aangestampte straten van Germo wemelt het van de mannen tussen de twintig en vijfendertig jaar. ,,We vechten tot de dood'', zegt een van hen buiten gehoorafstand van de commandant.

Niet veel later valt het doek definitief voor commandant Latifi's voorstelling. Onder aan de heuvel, aan het begin van het ezelspad naar Germo, staan acht mannen om de open kofferbak van een auto. Bewonderend kijken ze naar de verzameling kalasjnikovs in de achterbak. De geweren worden gestreeld, dan doorgeladen. De mannen zijn niet blij met de pottenkijkers die van het pad af komen glibberen. ,,Doorlopen. Dóórlopen!'', schreeuwen ze. Hun stemmen weerkaatsen tegen de bergwand.

Die middag waren de inwoners van het dorp Poroj opener geweest. ,,Ja, onze mensen vechten op de heuvel. Ja, de achterblijvers bevoorraden de rebellen'', zegt Jona. Poroj ligt aan de voet van de heuvel waarop Albanese rebellen zich hebben verschanst. Al dagen bestoken de Albanese rebellen en de Macedonische strijdkrachten elkaar; de rebellen boven op de berg, de speciale troepen beneden in de stad Tetovo. De politie en het leger durven zich niet meer te vertonen in Poroj. De avondklok die in Tetovo geldt, geldt niet voor Poroj. Onder bescherming van de duisternis kunnen de rebellen en hun helpers rustig hun gang gaan. ,,Had de avondklok wel gegolden, dan hadden we ons er niet aan gehouden'', pocht Jona. De dorpelingen bevoorraden de rebellen met ezels. ,,We brengen voornamelijk voedsel naar boven'', aldus Jona. De ezels lopen af en aan; vol naar boven, leeg naar beneden.

Anderhalf uur duurt de tocht van Poroj naar het hoger gelegen dorp Germo van commandant Latifi. In de loop van de middag geeft het hoofd van de burgerwacht in Poroj, een gezette Albanees met een enorme snor, toestemming voor de tocht. Anderhalf uur kijken we tegen schommelende ezelsachterwerken aan.

Dit konvooi draagt witte zakken zand omhoog. Het dient om versterkingen te maken waaruit het Macedonische leger kan worden beschoten bij een eventuele aanval op de heuvel. Naast het ezelspad liggen de eerste versterkingen. En bij een waterbak voor de ezels bouwen een oudere man en zijn zoon een muurtje van stenen, water en zand. Albanese schutters kunnen hier dagenlang stand houden; het zicht is goed, het schootsveld is vrij en drinkwater stroomt in de waterbak. Wie het ezelspad in handen heeft, zit goed. De Macedonische troepen moeten bovendien tegen de heuvel opvechten.

,,Goedemiddag'', knikt de oudere man vriendelijk. Hij komt uit Poroj en metselt voor de `goede zaak'. Het hardnekkige gerucht gaat dat de Macedonische troepen om vier uur zullen aanvallen. Dat is over dertig minuten. Hij verontschuldigt zich, hij moet doorwerken. Aan de andere kant van de heuvel komen de mortiergranaten neer; door de heuvelwand heen klinken de doffe inslagen.

De angst voor een Macedonisch offensief wordt gevoed door de komst van een Albanese deserteur in Poroj. Met gierende banden komt hij tot stilstand op het dorpsplein. Met een verhit hoofd springt hij uit de auto. ,,Jullie moeten me verbergen'', schreeuwt hij naar de verbaasde dorpelingen. ,,Ik ben gevlucht uit het leger. Ze geven ons zware wapens. De aanval komt eraan. Maar ik wil niet tegen mijn mensen vechten.'' Binnen enkele minuten is de man in een auto geduwd en uit het zicht verdwenen. Maar om vier uur blijft het gevreesde offensief uit.

Wel kondigt de Macedonische regering een staakt-het-vuren aan. Dat moet een etmaal duren en zal om middernacht aflopen. De Albanese rebellen verklaren al snel zich niet aan het bestand te houden. De dorpelingen zien ook niets in een politieke oplossing. ,,Politici'', zegt Jona en hij trekt een gezicht alsof hij een citroen eet.

In politiek hebben de Albanese dorpelingen geen enkel vertrouwen - in Macedonische noch in Albanese volksvertegenwoordigers. Ze beschouwen hen ook niet als zodanig; politici zijn alleen uit op eigen gewin en komen van een andere planeet. ,,Xhaferi zit op een hele grote stoel. En blijft daar het liefst op zitten'', zegt Jona afkeurend over de leider van de grootste partij van de Albanese minderheid, de PDSh, die in de regering zit. De gematigde Arben Xhaferi is de man van de Albanese stedelingen, niet van de dorpelingen.

,,Wij vertrouwen op onszelf en op onze strijders'', declareert Jona plechtig. Het hoofd van de burgerwacht, de man met de enorme snor, bromt instemmend. Jona krijgt de smaak te pakken. ,,We willen gelijke rechten. We laten ons door niemand tegenhouden. We zullen vechten voor onze rechten.'' Daarna zijgt Jona tevreden in het witte kuipstoeltje neer. Zijn voorstelling is ten einde - tenminste, voor vandaag.