Na de roaring nineties

NEW YORK. Niemand weet het. In deze tijd doet de Economie denken aan een god wiens wegen ondoorgrondelijk zijn, en zo wordt deze hoogste van alle abstracties ook behandeld. Als een oppermacht die men gunstig moet stemmen opdat men deel zal hebben aan zijn zegeningen. We kunnen de parallel verder trekken. Beschouw Wall Street als de Sint Pieter en de handelaren verschijnen als fanatieke gelovigen, de analisten en strategen als schriftgeleerden, de grote bankiers als kardinalen en Alan Greenspan is de oude Paus. En zo gebeurde het dan, lezen we in de schrift, dat de toorn van de Economie werd gewekt. De exegeten en de kardinalen doen alsof ze weten hoe het komt, en wat eraan moet worden gedaan. Zoals dat dan gaat: ze spreken elkaar tegen. In de kerkblaadjes vertellen ze wat er geofferd moet worden, en wat het gebed van de week is. Een keur van tegengestelde overtuigingen wordt op de schare losgelaten. De Paus maakte afgelopen week de indruk dat hij het ook niet goed meer wist.

Intussen zijn steeds meer gelovigen hun geld kwijtgeraakt. Miljarden zijn de afgelopen maanden verdampt. `Het enige wat we op het ogenblik weten is dat we het niet meer weten,' schrijft de scherpzinnige econoom en columnist Robert J. Samuelson deze week in Newsweek. `Bedenk dat we een situatie hebben bereikt waarin we nooit eerder hebben verkeerd.' Hij heeft het niet op deze manier bedoeld, maar het is ook de situatie waarin de eindeloze economische groei tot een geloof is geworden; het geloof in de onuitputtelijke goedertierendheid van de aardse god Economie.

Is de durende koersval van de afgelopen maanden een gezonde correctie? De inleiding tot een echte recessie? We weten nu wel zeker dat wat een paar jaar geleden tot de nieuwe economie is gedoopt, veel lijkt op de klassieke zeepbel. Wat daar is gebeurd, is veel eerder nauwkeurig beschreven door John Kenneth Galbraith in zijn A Short History of Financial Euphoria. Van de Hollandse tulpenmanie in de Gouden Eeuw, via de grote crisis van 1929 naar alle volgende ineenstortingen, is het altijd hetzelfde liedje. Op den duur brengt hun hebzucht de mensen ertoe, meer te investeren in minder, ze lenen geld, daarmee kopen ze aandelen in lucht, dat wordt plotseling duidelijk, en dan zakt het kaartenhuis in elkaar. Van de geschiedenis leren ze niets, zegt Galbraith met sardonische wijsheid. De vraag is niet dàt het gebeurt, maar wanneer.

Dan komt de andere kant van het vraagstuk waar hij niet op ingaat. Hoe reageren de tallozen, als ze, berooid, terechtkomen in een situatie die ongekend is – volkomen nieuw, niet alleen economisch maar ook in politiek en zelfs cultureel opzicht? De laatste ineenstorting op de beurs die een krach mag worden genoemd, is die van 1987. Twee jaar later kwam nog een schok, en vervolgens vertoont de statistiek een constant opgaande lijn. Na 1995 wordt de hoek steeds scherper, met een kleine terugval door de Zuid-oost-Aziatische crisis, en dan gaat het nog steiler omhoog tot begin 2000. Intussen heeft Alan Greenspan gesproken. Zal het helpen? Dat weten we over een paar maanden. Voorlopig is het niet als een troostrijke boodschap ervaren.

Dit wordt geschreven in het centrum van de maatschappij van snel verminderende overvloed. Het is niet meer nodig, een maand van tevoren een tafel in een vier sterrenrestaurant te bespreken, en het is niet uitgesloten dat de klant bediend wordt door een ober die vorig jaar nog een dotcom miljonair was, met twee porsches voor de deur, meldt de New York Post. Waar hebben we het eerder gelezen? Zeventig jaar geleden was het de legendarische ingenieur die tramconducteur was geworden. Ik heb het geluk dat ik de overvloed heb zien groeien, van jaar tot jaar, in hoeveelheden en verscheidenheid die mij, kind van de vorige eeuw – de korte eeuw die van 1914 tot 1989 heeft geduurd – dikwijls absurd lijken. Dat is mijn particuliere oordeel. Het gaat erom dat na de Koude Oorlog inmiddels in het Westen een generatie is opgegroeid en opgevoed met de overtuiging dat grote oorlogen voorgoed geschiedenis zijn, in een wereld waar alle mensen alleen rijker kunnen worden, zolang ze althans aan de goede kant van de maatschappij geboren zijn.

Dat is voor een ooggetuige een fantastisch schouwspel. Het openbare leven in Amerika is doordrenkt van consumentenwelvaart en een grenzeloze consumentenmoraal. In wat bescheidener mate geldt dat ook voor West-Europa. Dat er inmiddels veel aan de maatschappelijke organisatie mankeert, zoals door veelsoortige rampen, ongelukken en ontsporingen duidelijk wordt (nu de energiecrisis in Californië, de catastrofe in de Europese bio-industrie), leidt wel tot corrigerende, organisatorische maatregelen, maar dat alles heeft geen diepe politieke consequenties. Het algemene geloof in de Economie wordt er niet door aangetast. Slecht nieuws over de Economie is in zekere zin ook economie, een bijzondere vorm van infotainment als het wordt aangepakt zoals CNBC, het televisiestation voor financiële zaken het doet. Dramatisch, adembenemend.

Bij een echte, langer durende recessie wordt het anders. Hoe reageert dan een maatschappij die ervaart dat haar wordt afgenomen, wat ze als volstrekt normaal heeft leren beschouwen? Hoe zal dit, zich als zeer conservatief ontpoppend bewind reageren als een leger van werklozen een ouderwets beroep op de staat zou doen? Na de Roaring Twenties kwam F.D. Roosevelt. Wordt George W. Bush de staatsman die de afbladderende Economie nieuwe luister zal geven? Hij maakt niet de indruk. Maar niemand weet het. De geschiedenis herhaalt zich nooit. Recessie is een gevreesd woord. Toch wordt het gebruikt in alle commentaren. Recessie betekent schaarste, en duurzame schaarste: de terugkeer naar de politiek, die een maatschappij van overvloed ontwend is. Dat we niet weten wat de Economie gaat doen, is tot daaraan toe. Maar doet hij niet wat we wíllen, dan komt de politiek terug in vormen die het alleronvoorspelbaarst zijn. Alleen al daarom valt het te hopen, dat het halve procent van Alan Greenspan de Economie weer gunstig zal stemmen.