Low rockt zacht en in slow-motion

Paradiso volgestouwd met stoelen: geen alledaags gezicht bij popconcerten. Bij het concert van Low en Kings of Convenience bleek de opstelling handig voor het beperken van het publieksgeruis. Dat telde zwaar, want beide bands musiceren volgens de stelling `quiet is the new loud', meteen de titel van de debuut-cd van Kings of Convenience. Bij dit Noorse, akoestische duo liep dat uit op een set vol fraaie, maar gelijkvormige en dus uiteindelijk saaie liedjes.

Al ontbrak bij Low het dansje van een van de twee Simon & Garfunkel-adepten, dit Amerikaanse trio heeft beter begrepen dat zacht pas echt zacht is als je er iets hards naast zet. Dat zit hem niet in het tempo, want Low beweegt zich stapvoets voort. Maar af en toe tikt drumster Mimi Parker net iets harder op haar trommels en laat haar man Alan Sparhawk zijn gitaar heftig rondzingen.

Het effect is het prettige equivalent van een stevige hagelbui temidden van herfstige motregens. Want herfst is het bij Low, de groep die na een half dozijn platen met Things We Lost In The Fire eindelijk op bescheiden schaal door lijkt te breken. Ook deze plaat staat weer bol van de droefgeestige teksten, die een voortreffelijke vertolking krijgen op tere melodieën.

Die werden gezongen door het echtpaar Sparhawk-Parker, terwijl de introvert aan zijn bas plukkende Zak Sally vooral met zijn rug bijdroeg aan het visuele aspect. Door de trage tempo's leek het soms of de songstructuren uitgerekt werden tot de samenhang verdween. Maar zover kwam het niet, door Parkers voorzichtige, welgemikte klappen op haar minimalistische drumstel en Sparhawks spannende gitaarspel.

Doen er op Things We Lost In The Fire gastmuzikanten mee, live kwam het neer op de oer-bezetting van bas, drums en elektrische gitaar. Van de rock-essentialia bleef vooral het sterke gebruik van dynamiek over. Low liet horen dat je met dat besef ook op laag volume en in slow-motion kunt rocken.

Concert: Low en Kings of Convenience. Gehoord: 20/3, Paradiso Amsterdam.