Koele limonade voor twee agenten

In kinderboeken en reclames wordt nog wel eens de weg van grondstof naar eindproduct uitgelegd: van katoenplant tot trui of van graankorrel tot whisky. In de Engelse documentaire Traffik werd deze educatieve methode op heroïne toegepast. Te zien was hoe deze drug van Afghanistan via allerlei tussenstations in Europa uiteindelijk in Londen terecht kwam. Nu is er Traffic, een met goed recht murw beukende, ambitieuze Amerikaanse speelfilm die laat zien wat er allemaal gebeurt voor een zestienjarige scholiere in Cincinnati cocaïne op een lepel kan leggen. De film, die werd geregisseerd door Steven Soderbergh, begint niet helemaal bij het begin, met een cocaplant op een Columbiaans veld, maar laat verder alle stations zien op de route nadat de drugs eenmaal op de grens tussen Mexico en de Verenigde Staten zijn gearriveerd. De film begint met een brutale nevenschikking van al die locaties, die later min of meer met elkaar te maken krijgen. Soderbergh bevolkte ze met een stoet aan bekende acteurs, onder wie Catherine Zeta-Jones, Michael Douglas en Benicio Del Toro, die allemaal een variatie op een uit gangsterfilms en thrillers bekend type te spelen krijgen. Een grote, respectabel lijkende drugsbaron aan de Amerikaanse kant van de grens wordt bijvoorbeeld niet door zichzelf vertegenwoordigd, maar door zijn zwangere vrouw. De baron wordt aan het begin van de film gearresteerd en als zijn vrouw eenmaal van de schrik bekomen is dat haar luxe leventje door drugsgeld wordt betaald, besluit ze het werk van haar man voor te zetten. Af en toe brengt ze wel een glas koele limonade naar de agenten die haar in een busje voor de deur van haar villa zitten af te luisteren.

Traffic, dat vijf maal voor een Oscar werd genomineerd, is een film die vol zit met hypocrisie. Het ligt waarschijnlijk aan de kijker of die de hypocrisie bij de personages vindt horen of ze ook de filmmakers aanrekent. Ik zag in de film een pleidooi voor het legaliseren van drugs, dat alleen getemperd werd door het feit dat Traffic nu eenmaal een Hollywoodfilm is, die op de eerste plaats geld moet opbrengen en daardoor niet te veel mensen voor het hoofd mag stoten. In Amerika wordt het al als gedurfd gezien dat Mexicanen in een film Spaans met elkaar praten, zoals in Traffic gebeurt, laat staan dat er openlijk voor zoiets bouds als legalisering zou kunnen worden gepleit. Soderbergh ontloopt de kwestie in zekere zin door te doen alsof zijn speelfilm eigenlijk een documentaire is. He tells it like it is. Hij gebruikt ook een aantal stilistische middelen die vooralsnog bij documentaires lijken te horen, zoals de door de regisseur virtuoos zelf gehanteerde handheldcamera. Maar wat Soderbergh vanuit de hand filmt, is dan wel weer van veelzeggende kleuren voorzien. De scènes in Mexico zijn broeierig geel gekleurd, de scènes in Amerika kil blauw.

De opmerkelijkste keuze in het scenario is het feit dat er, naast allerlei handelaren, politieagenten en politici, eigenlijk maar één drugsgebruiker wordt getoond. Deze scholiere uit Cincinnati blijkt na verloop van tijd de dochter te zijn van een rechter die door de Amerikaanse president net tot hoogste baas in de strijd tegen drugs is benoemd. Deze keuze zou je met evenveel recht hypocriet, didactisch of sentimenteel kunnen noemen. Door een rijk wit meisje als verslaafde te nemen kan Soderbergh iedereen bij zijn verhaal betrekken. Drugs zijn in Traffic voor niemand ver van zijn bed. Het beeld van dit meisje met haar van genot zwemmende ogen in het bed van een zwarte drugshandelaar is er in ieder geval een dat een nog bedwelmender rijkdom aan gemengde gevoelens oproept dan de rest van de tweeëneenhalf uur die Traffic duurt.

Vrijdag in het Cultureel Supplement: portret Steven Soderbergh