Europa maakt Den Haag zenuwachtig

Toen Joschka Fischer vorig jaar zijn pleidooi voor een federaal Europa hield, waren de reacties in Den Haag opvallend lauw. En het enthousiasme voor Europa is sindsdien niet toegenomen. Dat was vroeger wel anders, meent Arend-Jan Boekestijn.

De laatste jaren is de Nederlandse Europapolitiek ingrijpend gewijzigd. Terwijl vroeger een nogal obligaat federalisme door Nederlandse bewindslieden werd aangehangen, moeten minister Van Aartsen en staatssecretaris Benschop er niets van hebben. Van Aartsen liet zich in zijn Clingendaelspeech van 12 maart nogal laatdunkend uit over al dat gefilosofeer over een federatief Europa. En Benschop zei op 20 maart in Brussel dat hij de ideeën van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Fischer, op dit punt absurd vindt. Ik ken als historicus geen enkel politiek project waarbij een einddoel wordt uitgeroepen, voegde hij er zelfs aan toe.

Het is goed Benschop erop te wijzen dat het in de geschiedenis barst van de politieke projecten met een einddoel. Wat dacht U van de klasseloze samenleving van de communisten, geachte staatssecretaris? Als ik het mij goed herinner, was U in Uw studententijd buitengewoon goed op de hoogte van de communistische heilsleer.

Het federalisme is in Den Haag zo uit de gratie geraakt omdat Nederland in de ban is geraakt van een nieuw concept: benchmarking. De term komt uit de organisatieadvieswereld. Daar worden via benchmarking de prestaties van onderdelen van een bedrijf gemeten. Conform de tijdgeest wordt dit concept nu toegepast op het verkeer tussen staten. Men hoopt dat het vergelijken van de economische prestaties van EU-lidstaten de zwakkere broeders er toe zal bewegen het beleid van de sterkeren over te nemen. Benchmarking vereist geen federale opzet.

Deze majeure beleidswijziging – zeker ten opzichte van het Europabeleid van de jaren negentig – heeft nauwelijks geleid tot een publiek debat. Dit is om twee redenen betreurenswaardig: de nieuwe politiek heeft grote gevolgen voor de positie van ons land in het Europese krachtenveld, en het is nog maar de vraag of beleidsconcurrentie robuust genoeg is om de euro te schragen.

Benchmarking sluit goed aan bij het Europabeleid van de kabinetten-Drees. Toen werden de federalisten op afstand gehouden en werd gekozen voor marktintegratie zonder coördinatie van het interne beleid, opdat ons land zijn concurrentievoordeel op basis van onze lage-lonenpolitiek kon handhaven. De socialist Drees kreeg daarbij steun van liberale economen, die er op wezen dat coördinatie van het Europese economische beleid juist de logica van economische integratie ondergraaft: namelijk daar te produceren waar dat het meest efficiënt kan plaatsvinden. Beter zou zijn de beleidsmaatregelen in de lidstaten met elkaar te laten concurreren.

Benchmarking is een liberaal concept bij uitstek en het is interessant dat niet alleen Zalm maar ook de sociaal-democraten Kok en Benschop er zo van zijn gecharmeerd. Met name van Benschop, die in zijn studententijd voorzitter is geweest van de ultralinkse studentenvakbond van de Vrije Universiteit, is een dergelijke ideologische tournure opmerkelijk.

Hoewel benchmarking al enige tijd op onderdelen van het Europese beleid met enig succes wordt toegepast, is de Nederlandse omarming van het concept niet probleemloos. Om te beginnen maakt het onze positie in het Europese krachtenveld er niet makkelijker op. Het plaatst ons namelijk in het kamp van de Engelsen. Het Verenigd Koninkrijk is namelijk de grootste tegenstander van beleidscoördinatie, het tegendeel van benchmarking. Helaas staan de Britten op dit punt betrekkelijk alleen. Weliswaar onderschrijft de Bundesbank de voordelen van benchmarking, maar de Duitse regering lijkt – net als die van België – de voorkeur te hebben voor een zwaardere integratiemethode. Zij is er namelijk op uit om de bevoegdheden van de regio, de nationale staat en de EU af te bakenen. Tegelijkertijd lijkt Duitsland door te willen gaan met de versterking van de positie van de Europese Raad. Nu hoeft deze methode benchmarking niet per se uit te sluiten, maar het is niet ondenkbaar dat het toch zal leiden tot meer beleidscoördinatie.

Den Haag verwijdert zich met de keuze tegen verdere beleidscoördinatie niet alleen van Duitsland en Benelux-partner België, maar ook van Parijs. De Fransen zijn immers altijd grote voorstanders van beleidscoördinatie en denken dat de Duitse ideeën daar beter bij passen dan het benchmarking-model van Blair. Ook de overige Mediterrane landen zijn traditioneel voor beleidscoördinatie. De keuze voor Engeland is bovendien riskant, omdat dat land nog geen volwaardig lid is van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Het is dus nog maar de vraag of Londen en Den Haag samen verdere beleidscoördinatie in Europa kunnen tegenhouden.

In de tweede plaats kan men zich afvragen of benchmarking robuust genoeg is om een EMU te schragen. Een echte gemeenschappelijke markt kan alleen maar bestaan indien er sprake is van werkelijke vrijhandel, vaste wisselkoersen en een gecoördineerd monetair beleid. Voor de vrijhandel is er supranationale aansturing en controle op de marktintegratie. De EMU zorgt voor een vaste wisselkoers. Het monetaire beleid wordt in Frankfurt bepaald.

Blijft over de vraag in hoeverre het overige interne beleid, dat grote monetaire gevolgen kan hebben, voldoende in de pas zal blijven lopen. Op dat punt zijn er nog altijd onzekerheden. Een land met een begrotingstekort wordt op korte termijn alleen maar in nog grotere problemen gebracht als er hoge boetes moeten worden betaald. Tot zover lijkt er met benchmarking meer eenheid te zijn gekomen in het interne Europese beleid, hoewel de laatste tijd de verschillen weer wat lijken toe te nemen. Het is bovendien enigszins verdacht dat de ministers in de Ecofin zelf weinig vertrouwen in benchmarking lijken te hebben. Telkens als er een land economisch uit de pas loopt ontwikkelt zich een kolderieke megafoondiplomatie waarna het geregeld voorkomt dat de regering die onder vuur lag haar beleid uitsluitend in cosmetische zin bijstelt.

De echte test voor de EMU moet nog komen. Er zijn situaties denkbaar waarin de lidstaten asymmetrische economische schokken oplopen. In een dergelijke heterogene situatie zal een noodzakelijk eenvormig monetair beleid grote politieke spanningen oproepen. De mogelijkheid van desintegratie is er dus net zo goed als die van verdere integratie.

Deze ongemakkelijke vragen houden Kok ongetwijfeld eerder uit zijn slaap dan de aanstaande schoonvader van de kroonprins. Het wordt opeens ook duidelijk waarom Zalm altijd voor nationaal lachebekje speelt. Het zijn pure zenuwen.

Arend-Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht.