Militaire opties zijn beperkt in Macedonië

De internationale gemeenschap ziet zich in Macedonië voor een akelig dilemma geplaatst, meent Rob de Wijk.

De situatie in Macedonië roept herinneringen op aan de vooravond van het ingrijpen van de NAVO in Kosovo. Ook toen groeide een kleinschalige guerrilla uit tot massaal gewapend verzet. De huidige situatie is echter complexer en gevaarlijker. In Kosovo ging het `slechts' om een confrontatie tussen Joegoslavische strijdkrachten en eenheden van het ministerie van Binnenlandse Zaken en het UÇK, het toenmalige Kosovo Bevrijdingsleger. Van die acties werd de bevolking weliswaar de dupe, maar een burgeroorlog dreigde niet. De Serviërs vormden daarvoor in Kosovo een te kleine minderheid.

In Macedonië is de situatie anders. Hier vormen de Albanezen een minderheid van ruim 25 procent van een overwegend Slavische bevolking. De Slavische Macedoniërs storen zich steeds meer aan de radicale Albanezen. Zij stellen dat de Albanese rechten eerbiedigd worden, wat onder meer blijkt uit het feit dat Albanese ministers in de regering zitting hebben. De Albanezen zelf zien dat anders. Een burgeroorlog is nu niet denkbeeldig.

Het is niet verwonderlijk dat in West-Europa de roep om militair ingrijpen weer aanzwelt. De mogelijkheden zijn echter beperkt. De internationale gemeenschap weet zich voor een akelig dilemma geplaatst. Enerzijds lijkt ingrijpen noodzakelijk om een burgeroorlog te voorkomen die grote gevolgen kan hebben voor de hele Balkan. Anderzijds kan ingrijpen juist tot meer instabiliteit leiden. De reden is dat de internationale gemeenschap zélf, in de ogen van de Albanezen, onderdeel van het probleem aan het worden is.

De kern van het probleem is dat de overgrote meerderheid van de Albanezen zich niet neerlegt bij de eindsituatie die de internationale gemeenschap met Kosovo voor ogen heeft: een multi-etnisch, democratisch en autonoom gebied binnen de grenzen van de Federale Republiek Joegoslavië. Gematigde Albanese leiders willen dit Westerse streven hooguit als interim-oplossing aanvaarden. De onvrede met wat het Westen voor ogen heeft, is vooral een probleem voor de NAVO. De door haar geleide troepenmacht KFOR moet immers de veiligheid in de provincie waarborgen. In de ogen van steeds meer Albanezen staat KFOR aan de verkeerde kant omdat deze eindsituatie ook door Belgrado wordt gesteund. Extremistische Albanezen zien de NAVO daarom zelfs als bezettingsmacht.

Daarbij is van belang dat veel Albanese leiders het Westen verwijten dat zij in 1995 op verzoek van de Joegoslavische president Miloševic de Albanese kwestie buiten de onderhandelingen van Dayton hebben gehouden. De internationale gemeenschap heeft volgens hen te weinig oog voor hun streven naar een zelfstandige entiteit, waarvan het overigens onduidelijk is hoe deze er precies uit moet zien. Gaat het om een groot Albanië of om een groot Kosovo die naast de Albanese staat in leven moet worden geroepen? Wordt de nieuwe staat een democratie of is het slechts een dekmantel voor criminele activiteiten?

De NAVO is zich van de Albanese gevoelens bewust en treedt daarom terughoudend op bij de vele provocaties van etnische Albanezen tegen Serviërs in Kosovo. Een directe confrontatie tussen KFOR en opstandige Albanezen kan ertoe leiden dat de burgers in Kosovo zich achter de rebellen scharen waardoor de vlam in de pan kan slaan. Maar tevens is gebleken dat het terughoudende optreden tegen de rebellen in Kosovo de Albanese rebellie in Zuid-Servië en Macedonië indirect heeft aangewakkerd. Extremistische Albanezen, die slechts de taal van geweld spreken, zien in de terughoudendheid van KFOR een aanmoediging om hun strijd te verharden. Hun acties hebben toch geen repercussies.

Dit heeft er weer toe geleid dat bijvoorbeeld in Macedonië kritiek klinkt op het slappe optreden van KFOR. Het zijn vooral de Amerikanen die de verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie in de schoenen geschoven krijgen. Ongelukkigerwijs grenzen het zuiden van Servië met de opstandige Presevo-vallei en het rebellerende noorden van Macedonië aan de Amerikaanse sector. De Amerikanen wordt verweten geobsedeerd te zijn door force protection. Zij maken de effectiviteit van de missie ondergeschikt aan de veiligheid van de eigen troepen. Deze instelling wordt gedreven door de angst voor slachtoffers die de publieke opinie zou kunnen beïnvloeden en de politieke steun voor de Amerikaanse deelname aan KFOR zou kunnen ondergraven.

Om aan te tonen dat krachtdadig optreden wel degelijk mogelijk is, hebben de Amerikanen overigens op 8 maart het grensdorp Tanusevci bezet – de eerste offensieve actie van KFOR. Het doel was het blokkeren van de aanvoerroutes voor de rebellen. Veel heeft dit niet uitgehaald, omdat juist daarna de gevechten bij het Macedonische Tetovo zijn verhevigd.

De geringe grip van KFOR op de situatie in Kosovo maakt een militaire interventie door de NAVO in Macedonië tot een hachelijke onderneming. Als de NAVO de Macedonische regering helpt de rebellie te onderdrukken, kan dat leiden tot acties in Kosovo. De kans is groot dat KFOR daar wordt geconfronteerd met een aanzwellende rebellie van Albanezen die in het optreden van de NAVO in Macedonië het definitieve bewijs zien dat het bondgenootschap aan de verkeerde kant staat, zeker als hard tegen de rebellen wordt opgetreden. Als dat gebeurt is de kans groot dat KFOR de controle verliest.

Dan hebben we het nog niet eens over de vraag óf er wel een militaire oplossing voor de huidige problemen in Macedonië is. Ook hier is de vergelijking met Kosovo van belang. Miloševic kwam er in de jaren negentig achter dat hij tegen goed gemotiveerde en bewapende strijders van het UÇK weinig kon uitrichten. Hij voerde zijn acties tegen de rebellen op, waarbij zijn strijd zich in toenemende mate op het deel van de Albanese bevolking richtte dat verdacht werd van openlijke steun aan de opstandelingen. Dit Servische optreden maakte weer eens duidelijk dat contraguerrilla-campagnes tot de smerigste vormen van oorlogvoering behoren, waarbij succes niet is gegarandeerd. En dat, terwijl Serviërs een `reputatie' op het gebied van ongeregelde oorlogvoering hoog te houden hebben.

De NAVO is veel minder dan de Serviërs voorbereid op contraguerrilla-operaties. Operationele concepten en bewapening van het bondgenootschap zijn hoofdzakelijk gericht op het bestrijden van reguliere eenheden tijdens een conventionele oorlog tussen landen. Toegegeven, in Kosovo zijn onder meer Britse speciale eenheden (SAS) actief om grensoverschrijdende acties van rebellen in het zuiden van Servië en in Macedonië tegen te gaan. Soms boeken zij successen, maar hun aantal is te klein om werkelijk effectief te zijn.

Een uitgebreide bewaking van de 220 kilometer lange grens tussen Macedonië en Kosovo en het zuiden van Servië en Kosovo zal derhalve weinig soelaas bieden. Daarbij komt dat de grenzen te lang zijn om effectief bewaakt te kunnen worden. In 1998 heeft de NAVO plannen ontwikkeld voor het afsluiten van de grens tussen Albanië en Kosovo. Hiervoor bleken ruim 20.000 militairen nodig. Zelfs als het tot uitvoering zou komen, dan nog zou het effect gering zijn. Het is namelijk onwaarschijnlijk dat de rebellen in Macedonië volledig afhankelijk zijn van de aanvoer van wapens, voorraden en versterkingen vanuit het zuiden van Servië of Kosovo. Het is eigen aan guerrillastrijders om voor hun logistiek te steunen op de lokale bevolking en die is in het westen van Macedonië in voldoende mate aanwezig. En het is wel zeker dat de rebellen de afgelopen maanden hebben benut om voorraden in Macedonië aan te leggen.

Afgezien van de beperkte militaire mogelijkheden voor een contraguerrilla is het de vraag waar de NAVO extra mankracht vandaan moet halen voor uitgebreide militaire steun aan de Macedonische autoriteiten. Momenteel zijn 4000 KFOR-militairen in Macedonië gelegerd. Maar dit zijn bevoorradingstroepen voor KFOR in Kosovo en militairen die de aanvoerroute van het Griekse Thessaloniki naar Kosovo moeten beschermen. Die zijn per definitie niet beschikbaar voor de nieuwe taak.

Troepen onttrekken aan de 36.000 militairen sterke KFOR-macht is ondenkbaar. Gezien de dreiging van toenemende instabiliteit in Kosovo zelf, is versterking van KFOR eerder aan de orde.

Mogelijk zouden troepen uit Bosnië kunnen komen. De Amerikanen hebben juist besloten bijna 1000 militairen uit SFOR terug te trekken omdat de veiligheidssituatie daar zou zijn verbeterd. Echt grote aantallen zullen echter van buiten de regio moeten komen. Daarbij dringt zich de vraag op, gezien de voortdurende problemen van veel landen om voldoende troepen aan KFOR en SFOR te leveren, welke mogelijkheden er nog zijn. De Europese NAVO-lidstaten blijken in de praktijk een troepenmacht van 40.000 op de been te kunnen brengen en deze inzet gedurende jaren vol te kunnen houden. Gezien de omvang van de bijdragen aan KFOR en SFOR lijkt daarom de grens te zijn bereikt.

Als er toch een vredesmacht moet komen, dan heeft een VN-macht de voorkeur. Die is, in tegenstelling tot de NAVO, mogelijk in de ogen van de Albanezen onpartijdig. Een dergelijke macht zou de buffer tussen de bevolkingsgroepen moeten gaan vormen. Dit vereist echter een nieuw mandaat van de VN-Veiligheidsraad en het formeren van een nieuwe troepenmacht. En hiermee gaat veel kostbare tijd verloren.

De conclusie is dat de militaire opties beperkt zijn. Daarom moeten voorlopig alle kaarten op de diplomatie worden gezet. De Macedonische regering moet terughoudend optreden tegen de rebellen, zodat de vlam niet definitief in de pan slaat en voorkomen wordt dat de sympathie van de bevolking massaal ten gunste van de rebellen omslaat. Gematigde Albanese leiders in Macedonië, maar mogelijk ook in Kosovo zelf, spelen een sleutelrol. Als zij niet in staat zijn de rebellen van de bevolking te isoleren, is een burgeroorlog een feit.

Prof. dr. Rob de Wijk is defensiedeskundige en onder meer verbonden aan het Instituut Clingendael.