Gedogen

Zoals Gijs van Oenen in zijn stuk `Gedogen is integraal onderdeel van de rechtsorde' (NRC Handelsblad, 12 maart) betoogt, gaan discussies over rampen zoals in Enschede en Volendam steeds vergezeld van de vraag wie de meeste schuld heeft, de overheid of de – ondernemende – burger of instantie.

Van Oenen maakt onderscheid tussen `klein vuil', kleine rechtsinbreuken zoals het op straat gooien van lege sigarettendoosjes en `groot vuil', rechtsinbreuken die gepleegd worden om eigen voordeel te behalen, met andere woorden: criminaliteit. Zoals Jos Verlaan in zijn boek `Chaos aan de Amstel' (1999) op gedegen wijze heeft aangetoond, is er in verschillende geledingen van het gemeenteapparaat van Amsterdam veelvuldig sprake (geweest) van fraude, corruptie en ondeskundig management, `groot vuil' dus. Dit leidde in sommige gevallen tot onveilige situaties; zo stuurde het GVB trams waarvan de remmen kapot waren de straat op, omdat knutselen aan privé-auto's tijdens werktijd voorrang had boven het repareren van kapotte trams. Technici die wel trams wilden repareren of bij hun directie gingen klagen, werden tegengewerkt of bedreigd. Van Oenen besluit zijn betoog door te stellen dat wij, als burgers en overheid, behoefte hebben aan gedoogkunst. Dat moge zo zijn, maar burgers hebben vooral behoefte aan een eerlijke en efficiënte overheid die het goede voorbeeld geeft. Machtsverhoudingen en machtsmisbruik zullen altijd bestaan. De discussie zou moeten gaan over de vraag hoe de overheid burgers en ambtenaren kan leren met dit probleem om te gaan en zich er tegen te verweren. Politieke aandacht voor het probleem van corruptie en fraude in ons land zou hiertoe een eerste nuttige stap kunnen zijn.