Even jamjam, als het ware

adat het PvdA-congres eind vorige week in de persoon van de wetenschapper R. Koole een nieuwe voorzitter had gekozen, leek de wekenlang beschreven spanning in 's lands grootste regeringspartij in één klap verdwenen. De `Haagse' mensen van de macht hadden hun kandidaat zien sneuvelen, en daarmee hun les gehad. De tweede congresdag gebeurde er niet veel meer, ook niet rondom spanningsbronnen als de kwestie-Zorreguieta of de Zalmnorm, wat premier Kok of fractieleider Melkert kon laten schrikken. Integendeel, moties die dat wilden, werden zelfs ruim verworpen nadat Kok had beloofd de congres-vertogen goed in gedachten te zullen houden en vertrouwen had gevraagd en gekregen.

Zodoende kwam er maar weinig stoom uit de grote fluitketel die het congres wil zijn, of weer wil worden namens de gerevitaliseerde en geherdemocratiseerde PvdA waarvoor zowel Koole als zijn concurrenten hebben gepleit. Want daarover, over de gewenste receptuur, bestaat kennelijk – nog niet zo héél lang nadat F. Rottenberg als voorzitter (1992-'96) onder applaus zijn harde bezem door de partij haalde – grote eensgezindheid: die harde managersbezem, die de Haagse beroepspolitici vaak zo plezierde, moet de kast weer in, de PvdA moet weer een meesprekende ledenpartij worden.

De ironie wil dat een probleem hier unaniem als oplossing wordt aangeprezen. Want, zoals Mark Kranenburg vorige vrijdag in deze krant schreef, bijna alle politieke partijen zuchten onder ledenverlies en kennen, net als allerlei maatschappelijke organisaties, wijkverenigingen en sportclubs, bovendien nog maar weinig actieve leden. De ironie wil voorts dat Koole dat als kenner van het partijwezen weet als weinig anderen. Wat betekent dat hij ook als weinig anderen zal beseffen hoe buitengewoon moeilijk het zal zijn om het beloofde recept met een kleine groep actievelingen `tegen de stroom op' te laten werken. En dat dan als voorzitter, een functie waarvoor hij weliswaar veel gekwalificeerder lijkt dan het Kamerlid dat de `Haagse' politici naar voren geschoven hadden (,,Ik wil de partij weer leuk maken''), maar die vrij licht is in de Nederlandse politieke hiërarchie. Veel lichter in elk geval dan in Duitsland, waar de voorzitter van een politieke partij in principe ook haar kanselierskandidaat is, en zich overeenkomstig gedraagt.

Ooit, vroeg in de jaren zeventig, sprak de toenmalige ARP-premier Barend Biesheuvel op zijn wekelijkse persconferentie desgevraagd eens minzaam over partijvoorzitters. Achtenswaardige mensen, woordvoerders van hun partij, naar wie je als politicus van het eerste gelid natuurlijk moet luisteren, zei hij. Maar, zei hij erbij, wanneer het politiek spannend wordt, kun je hen toch maar het beste beschouwen als `freewheelende' partijfunctionarissen.

Nu was Biesheuvel lid van de ARP, een dualistisch aangelegde partij, die de afstand en de verschillen in verantwoordelijkheid tussen de uitvoerende macht (de regering) en de controlerende macht (de Tweede-Kamerfracties, en in het verlengde daarvan het partijvolk) graag zo duidelijk mogelijk zichtbaar hield. Dat `antithetische' standpunt kon zij als kleine en `binnenwaarts' gerichte partij ook gemakkelijker hanteren omdat zij zelden of nooit beslissend was bij machtsvragen. Bijvoorbeeld in de kabinetsformatie of wanneer het overleven van een kabinet in het geding was.

Een voorzitter heeft wat meer te vertellen in de grotere en meer monistische PvdA, waarin de ministers, de Tweede-Kamerfractie en de partij de onderlinge afstand graag zo klein mogelijk houden. Soms zelfs zó klein dat premier Den Uyl er najaar 1977, na een verkiezingswinst van tien zetels, zijn verhoopte tweede kabinet aan opofferde door zich te schikken naar enkele onvervulbare eisen van een groep koffiehuiscombattanten uit zijn partij. Maar de PvdA is ook de partij van minister Vredeling, die aangaande de voorkeuren van zijn partijcongres voor een nieuw vliegtuig voor de luchtmacht kalmpjes zei (in 1975): ,,Congressen kopen geen straaljagers''. En de PvdA is de partij van Kok, die in voorkomende gevallen eenvoudig zegt dat hij niet zal doen wat de partij vraagt (zeg de fiscale aftrekbaarheid van hypotheekrente afschaffen). Wat dat betreft zijn er voor voorzitter Koole en het herleefde partijdebat dat hij wenst straks nog steeds grenzen die in Den Haag worden getrokken. Anders gezegd: als de PvdA wil blijven regeren, zal zij de mening van een (geschatte) kiezersmeerderheid nogal eens boven de opvatting van een congresmeerderheid moeten laten gaan. Dat zorgt voor de spanning tussen droom en daad waarvan pressiegroepen niet willen weten, maar waarvan serieuze democratische partijen niet moeten of kunnen worden bevrijd.

Rond prinsjesdag wil Kok bekendmaken of hij in 2002 nog eens beschikbaar is als lijsttrekker. Mooie timing: tot dan ligt hij niet alleen overal onder schot, maar houdt hij zelf ook iedereen onder schot. Bijvoorbeeld zijn partij, die hem ruimte laat om de kwestie-Zorreguieta gepast af te handelen én te zorgen dat er in de begroting 2002 de nodige extra's gaan naar onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid. En die in Kok iemand kent die haar volgend jaar grootste partij kan laten blijven.

Onder schot houdt Kok ook de VVD in haar paarse leunstoel. Als met haar de begroting-2002 lukt, inclusief die extra's én behoud van de uitgangspunten van de Zalmnorm, ligt er op prinsjesdag meteen al een raamwerk voor Paars III, met een zekere politieke beveiliging van de PvdA tegen GroenLinks en financiële soliditeitsgaranties voor de VVD. Na deze wederzijdse lakmoesproef beantwoordt Kok pas zijn hamvraag: is hij lijsttrekker in 2002? Zo ja, lijkt Paars III een kwestie van tijd. Zo nee, moet Melkert zich snel verder profileren en gaan de colts alsnog roken. Wie weet wordt het dan zelfs even: free for all, terug van lang weggeweest. Even jamjam, als het ware, en als men zo wil.