Erik de Noorman

Helaas, `trollsk' staat niet in mijn Noors-Nederlandse woordenboek. Ik kwam het tegen in het nieuwe reisboek Baaien, boeken, boten van de zeilende schrijver Eerde Beulakker. `Een Noorse reis' luidt de ondertitel. In drie maanden tijd voer hij met zijn dertien meter lange zeilboot naar Kirkenes en terug. Een langzame reis uiteraard, zeker als je die vergelijkt met de schepen van de Hurtigrute – die leggen het traject Bergen-Kirkenes vice versa binnen twee weken af. Je hebt er engelengeduld voor nodig, zegt Beulakker, traag bloed, want het schiet niet op. Bovendien put hij geen enkele inspiratie uit eindeloze watervlaktes; er is weinig te zien en je hoort alleen maar vreemde vervormde stemmen om je heen. Zeeziek word je er ook, een kwaal die hem geregeld parten speelt.

`Ik hou niet echt van de zee', klinkt het al na een paar bladzijden. `Het wordt een echte Noorse zeildag. Vanuit het zuidwesten komt de wind opzetten, hij voert regen mee in de vorm van natte grijze gordijnen, waardoor de bergen om ons heen spookachtige decors worden. In het Noors bestaat voor ``geheimzinnig'' een aardig woord: trollsk.'

Dat is zeker een aardig woord. `Det er trollsk her' – het is hier niet pluis, ik zou het graag eens tegen een Noor zeggen. Trollen zijn wezens uit de Noorse folklore, die schatten en wisselkinderen verzamelen. Ze hebben samen met de Vikingen hun weg naar de Faeröer en IJsland gevonden, waar ze hun naam aan vreemde en mysterieuze plekken hebben gehecht.

Als jongen werd Eerde `Erik de Noorman' genoemd, een naam met een voorspellende waarde. Samen met zijn makkers Svein Langtand en Orm de roerganger zwierf de ontheemde koning langs de fjorden en mistige wouden van zijn vaderland. Soms had hij een ontmoeting met de Vala, een spinnende vrouw in het bos die hem de toekomst kon voorspellen. Of met de schikgodinnen Skuld, Urd en Verdande, die ook door Eerde worden genoemd, als hij eindelijk op het afgelegen Bereneiland voet aan wal zet – daar zijn het de namen van drie besneeuwde bergtoppen.

Eerde noemt zich een romanticus, die bezield wordt door `het noordelijk gevoel'. Ik heb dat gevoel eens proberen te omschrijven als een hang naar ruimte en eenzaamheid. Voor Eerde staat dat sentiment in het teken van sneeuw en ijs, van `ingetogen weidse landschappen en strenge koude eilanden'. Geef hem een kaal en ijzig eiland en hij is in zijn element. Zoals het genoemde Bereneiland, waar hij met rode oortjes luistert naar de winterverhalen van het groepje Noren dat daar een weerstation bemant. Bevroren vingers en wintertenen zijn dan ook vaak zijn deel. In zijn boeken staan foto's van een door wind en zeewater gepekelde kop, bekroond door een zuidwester en versierd met een baard vol ijs.

Naar mijn ervaring heeft dat noordelijk gevoel een dubbelzinnig karakter. Aanvankelijk misschien niet, want dan sluit het nog aan bij de wereld van avontuur die in stripverhalen en oude scheepsjournaals tot leven komt. Maar later krijg je steeds meer oog voor de onherbergzaamheid en mensvijandigheid van deze noordelijke streken. Mijn god, wat doe ik hier, heb ik als vijftiger wel eens gedacht toen ik voor de zoveelste keer de leegte van de toendra op mij liet inwerken. De mensen, die er vroeger woonden, trokken weg of zijn aan de drank.

In deze Noorse reis van Beulakker bespeur ik eenzelfde omslag. Met een zekere gretigheid haalt hij een historica aan die beschrijft hoe beducht men in de zestiende eeuw voor het hoge noorden was: `Iedere zeeman zal vroeg of laat de dag vervloeken dat hij naar het noorden uitvoer'. Hoe meer fjorden hij bezoekt, hoe meer het hem opvalt hoezeer ze op elkaar lijken. Iemand noemt Vaörd, een vissersdorp in Noord-Noorwegen, een `smerig gat' en Eerde spreekt hem niet tegen. De eindeloze leegte van Lapland boezemt hem vooral angst in: `Het landschap is te ongemakkelijk en te wreed om er ooit van te kunnen houden. Ik denk dat het ieder romantisch beeld over Moeder Aarde en Natuurlijke Goedheid weet te vernietigen.'

Hij trekt de muts diep over zijn oren, want Lapland blijkt, zelfs in de zomer, een venijnig koud oord te zijn. En dan breekt er een helder inzicht door: `In de winter moet het hier een ware bezoeking zijn. Oneindig lang donker, modder en sneeuwhopen, en bij tijd en wijle een noorderstorm waardoor je boot in de haven alle kans loopt schipbreuk te lijden.'

Toch blijft hij verlangen naar een overwintering op het barre, trollske Bereneiland, het eiland van de schikgodinnen.