Een industriële exodus

Taiwan verkeert niet alleen in een politieke impasse maar ook in de ernstigste economische malaise die het land sinds 1949 gekend heeft. De jonge hightech-economie heeft de wereldmarkt niet mee, kampt met de verlate gevolgen van de Aziatische crisis en lijdt aan een omvangrijke kapitaalexodus naar het Chinese vasteland.

`Taiwanese politiek is een luidruchtige vlooienmarkt en niet langer een sjieke villa waar een goed verschanste Kwomintang elite, beschermd door veiligheidsagenten, de dienst uitmaakt. De mensen willen een nieuwe politiek binnen Taiwan en een nieuwe relatie met China. Iedereen spreekt zich uit en het gevolg is dat er nergens een consensus meer over is.''

Aan het woord is een groep jonge Taiwanese politici van de Democratisch Progressieve Partij (DPP) die het partijbeleid tegenover China bepalen. Hun baas heeft net als elke functionaris vanaf de rang van afdelingschef bij de terugtredende Kwomintang (KMT) een doctorstitel van een Amerikaanse universiteit. Dr. Yan Jian-fa geeft mij zijn naamkaartje waarop staat `Directeur, Afdeling Chinese Zaken, Democratisch Progressieve Partij'. Elk equivalent van de KMT noemde dat `Afdeling Vastelandszaken', ervan uitgaande dat China en Taiwan historisch één land zijn geweest en dat op enig moment in de toekomst weer zullen worden. ,,Dit is Taiwan hier en aan de overkant ligt China en we zijn twee verschillende landen. Een vaag abstract compromis over één China is wel denkbaar, maar ze moeten ons als gelijken behandelen. We moeten aan tafel gaan zitten en praten. We vertrouwen ze niet. Ze eisen dat wij als studenten vraag-en-antwoordlijsten inleveren. Ze zijn zo gemeen'', zegt dr. Yan. Hij vervolgt dat het belangrijkste probleem van Taiwan niet de relatie met China is, maar de economie. Hij weerspiegelt daarmee het regeringsprogramma van president Chen Shui-bian voor 2001, waarin de relatie met China op de zesde plaats staat. Bovenaan staan financiële en economische hervormingen.

Taiwan verkeert sinds de historische machtsovername door de DPP in mei vorig jaar niet alleen in een politieke impasse tussen DPP en KMT en tussen Taipei en Beijing, maar ook in de ernstigste economische malaise die het land sinds 1949 gekend heeft. De gespannen verhoudingen in deze jonge democratie tussen de KMT-oppositie die 115 zetels heeft in het parlement en de nieuwe minderheidsregering met 70 zetels, is daar slechts één oorzaak van. De jonge hightech-economie heeft ook de wereldmarkt niet mee, kampt met de verlate gevolgen van de Aziatische crisis en lijdt aan een omvangrijke kapitaal-exodus naar het Chinese vasteland.

Sinds het aantreden van de nieuwe regering in mei vorig jaar is de beursindex, de TAIEX, met ongeveer 40 procent gedaald van 10.000 naar 6.000. Wie de schuldige is lijdt geen twijfel voor de vele huisvrouwen van middelbare leeftijd die dag in dag uit in het handelscentrum van de Chung Hsing Securities Co. al theedrinkend naar de koersfluctuaties op de honderden schermen zitten te staren. ,,President Chen Shui-bian'' is het unanieme antwoord. De politieke instabiliteit die is veroorzaakt door de welles-nietes regeerstijl van de nieuwe president heeft niet meegeholpen, maar de werkelijkheid is gecompliceerder. Tachtig procent van de fondsen op de TAIEX is hightech en verbonden met de Nasdaq in New York en die is maar liefst met 60 procent gekelderd. Verder zijn er massieve terugtrekkingen van middelgrote en kleine bedrijven geweest. ,,Steeds meer bedrijven trekken hun beleggingen op de beurs terug om met dat geld de verplaatsing van hun operaties naar het (Chinese) vasteland te financieren en daar te investeren'', zegt Wang Yu-hwa, eigenaar van een firma die computeronderdelen in China assembleert. ,,Bedrijfskosten zijn te hoog in Taiwan, tien jaar geleden was dat al zo voor arbeidsintensieve industrieën, maar nu ook voor zogenaamde medium-oude hightech, zoals computerhardware.'' Verder wordt beweerd dat de KMT de beurs naar beneden gemanipuleerd heeft, want deze partij is behalve een politiek machtsblok ook een omvangrijk multimiljarden zakenimperium, dat honderden miljoenen zou hebben teruggetrokken. Volgens professor Joseph Wu, leidend politiek commentator, is dit moeilijk te bewijzen, maar de KMT en pro-KMT media zijn er in elk geval in geslaagd het vertrouwen van investeerders te schaden uit politiek leedvermaak. Volgens de economisch analist van een Westerse regeringsinstelling die niet met name genoemd wil worden, zal er pas een keerpunt op de beurs komen als er een omslag in New York komt en de bodem daar is nog niet zichtbaar.

Taiwan kampt ook met toenemende werkloosheid, die weliswaar voor Westerse begrippen een lage 3,5 procent is, maar voor Taiwan verontrustend omdat zij cyclisch én structureel is. De export naar de VS zal naar verwachting met 5 procent dalen in 2001 en als gevolg daarvan is de computerindustrie overal mensen aan het ontslaan. Acer, Taiwans grootste computerfabrikant, ontsloeg eind februari 500 mensen wegens dalende exportorders. De arbeidsmarkt is verder in elkaar aan het zakken naarmate steeds meer bedrijven sluiten en zich naar de goedkopere productiebasis op het Chinese vasteland verplaatsen. Over de kapitaalexodus naar China zijn de gemoederen zeer in beroering, waarbij vele regeringsinstanties het standpunt innemen dat de exodus een potentiële bedreiging is voor Taiwans veiligheid en economische overleving. De meerderheid van het zakenleven huldigt de opvatting dat het betere investeringsklimaat in China – lage lonen en grondkosten, schaalvoordelen – juist bijdragen aan de overleving van Taiwanese bedrijven die het thuis niet meer kunnen bolwerken. Sommige bedrijven ontvluchten het inconsistente beleid en de politieke instabiliteit onder de nieuwe regering. United Microelectronics Corp., Taiwans op één na grootste producent van microchips, veroorzaakte eind vorig jaar een politiek-economische aardbeving met de beslissing om 2 miljard dollar te investeren in een nieuwe 12 inch waferfabriek in Singapore. UMC-voorzitter Robert Tsao zei dat hij niet in China geïnteresseerd was omdat het daar nog te onontwikkeld is en dat hij Singapore gekozen had omdat dat een regering heeft die een veel gunstiger beleid voert voor het opbouwen van een kenniseconomie dan Taiwan: preferentiële voorwaarden, minimale bureaucratie, geen politieke inmenging, onbelemmerde import van toptalent uit de hele wereld etc.

In Taiwan is dat nu veelal het tegendeel: ongunstige investeringsvoorwaarden en arbeidsrestricties voor buitenlanders. Veel DPP-leiders zijn qua politiek-sociale achtergrond dissidenten, tegenstanders van kernenergie en milieu-activisten, sociale leiders, feministes etc. die geen coherente filosofie hebben voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven.

Dat is nog niet het ergste. Taiwan kampt met toenemende energietekorten en chipfabrieken verliezen honderden miljoenen dollars door elektriciteitsstoringen. De Kwomintang-oplossing was simpel en rigoureus: bouw van een vierde kerncentrale. Als presidentskandidaat beloofde Chen Shui-bian vorig jaar tijdens de verkiezingscampagne dat hij de bouw van de 2.700 megawatt centrale van 6,5 miljard dollar zou stopzetten, ondanks het feit dat zij al voor een derde was afgebouwd. De zeer principiële president, die door zijn eigen aanhangers werd aangevallen wegens zijn te toegeeflijke beleid tegenover China, voelde zich verplicht zich aan deze belofte te houden. In oktober beval premier Chang Chun-hsiung, leider van een minderheidskabinet dat slechts 70 van de 220 zetels in het parlement had, stopzetting van de bouw zonder het parlement met zijn oppositiemeerderheid van 142 leden te raadplegen. De oppositiecoalitie verklaarde de regering de oorlog, boycotte het wetgevende proces twee maanden lang en lanceerde een afzettingsprocedure tegen de president. Het Constitutionele Hof kritiseerde de regering dat zij het parlement vooraf had moeten raadplegen en in de loop van februari realiseerden president Chen en zijn kabinet zich dat bakzeil halen de enige mogelijkheid was om het land weer regeerbaar te maken.

De president is er na veel schade en schande achter dat hij de anti-business radicalen in zijn partij de mond moet snoeren en acute ernst moet maken met orde op zaken stellen in de economie. Twee van de hoofdpunten op deze agenda zijn hervormingen van het financiële systeem, met name sanering van de banken en opheffing van de restricties op investeringen in China.

Taiwan is lang beschouwd als het land dat de Aziatische crisis beter heeft doorstaan dan al zijn buurlanden, omdat het nauwelijks buitenlandse schuld en een gesloten kapitaalrekening had voor inkomend en uitgaand flitskapitaal. De crisis had echter ook de structurele zwakheden in het financiële systeem die alle Aziatische landen teisterden blootgelegd, namelijk een verstopt banksysteem met veel te veel kleine banken (53), die een percentage aan slechte leningen tot 15 procent hebben. De banken zijn er zo slecht aan toe omdat leningen overmatig veel aandelenportefeuilles en onroerend goed als onderpand hadden en die zijn beide in waarde gehalveerd. Er is nu een reeks bankfusies begonnen die de activa-basis van de banken moet verbreden. Ook is er sprake van buitenlandse overnames, waarbij ABN Amro als een van de spelers genoemd wordt. Verder is er een plan om `Asset Management Companies' op te zetten die met belastinggeld slechte leningen van de banken zullen kopen, maar het is twijfelachtig of dit zal werken, aangezien de KMT van plan is nieuwe wetgeving te blokkeren. Volgens een rapport van het Japanse Nomura Research Instituut is Taiwans bankensysteem in slechtere staat dan het Zuid-Koreaanse, en loopt het land gevaar in een financiële crisis Japanse stijl te geraken die de hele economie jarenlang in een recessie zou kunnen doen belanden.

Over de kapitaal-exodus naar China zal de regering in mei een beleidswijziging aankondigen die er naar verwachting op neerkomt dat de meeste restricties zullen worden opgeheven. Er zijn nu 40.000 Taiwanese investeringsprojecten in China met een totale waarde van ongeveer 50 miljard dollar. Er wonen 230.000 Taiwanezen in China, grotendeels managers, ingenieurs en handelaren. Begin jaren negentig verhuisden Taiwans arbeidsintensieve industrieën, textiel, schoenen, plastic etc., naar China en midden jaren negentig, hoogwaardiger industrieën zoals elektronica, chemicaliën, autobanden etc. Toen de druk van faillissementen en werkloosheid in Taiwan voelbaar werd en China in 1995-1996 proefraketten afvuurde, kondigde president Lee Teng-hui de `geen haast – wees geduldig'-politiek af die investeringen in infrastructuur in China verbood en een plafond van 50 miljoen dollar per project afdwong. Dit beleid wordt op grote schaal omzeild door het gebruik van dochterondernemingen en offshore-financiering.

In 1999 is de exodus van hightech industrieën, zoals hoogwaardige computers en halfgeleiders, begonnen en vele politici zijn daarover de alarmklok gaan luiden. Chen Li-ying, een ontwikkelaar aan het Chung Hwa Institution for Economic Research, noemt de Chinese markt een `fatal attraction': goedkope arbeid en grondstoffen en een immense markt, dezelfde taal en cultuur, maar potentieel fataal omdat de dreiging met militair geweld toch als een zwaard van Damocles boven Taiwan blijft hangen en China's kansen om het eiland politiek te `gijzelen' toenemen.

Maar zakenlieden hebben hun eigen logica. Stan Shih, voorzitter van Acer, zegt dat opvoering van investeringen in China door Taiwans hightechbedrijven een levensvoorwaarde is om hun merknamen en concurrentiepositie in de wereldmarkt te versterken. Andere producenten van halfgeleiders zeggen dat als zij nu niet naar China gaan, de grote Amerikaanse bedrijven zoals Motorola, Intel, Hewlitt Packard etc. de Chinese markt in enkele jaren zullen domineren.

Morris Chang, voorzitter van Taiwans topbedrijf voor halfgeleiders `Taiwan Semiconductor Manufacturing Company', vertelde onlangs op een lunch van Europese Kamers van Koophandel dat hij nog minimaal drie jaar zal wachten voor hij in China zal investeren en dan nog zal hij de `kroonjuwelen' in Taiwan houden. Chang ridiculiseerde het veelbejubelde gezamenlijke project van Winston Wang, zoon van Taiwans grootste industrieel Y.C. Wang van het Formosa Plastics Conglomeraat, met de zoon van China's president Jiang Zemin voor een 8 inch wafer-fabriek in Shanghai. Hij sprak zijn minachting uit voor projecten die op politieke connecties zijn gebaseerd. Bovendien, in Taiwan produceert TSMC siliconenplakken van twaalf inch voor de productie van chips, iets waar China nog lang niet aan toe is. Het pessimisme dat Taiwan industrieel leeg zal lopen en dat er te weinig vervangende hoogwaardigere industrieën zullen komen, is volgens de meeste deskundigen misplaatst. Volgens professor Jeff Lin, hoofd van de economische faculteit van Taiwans top-universiteit Taida, heeft Taiwan een goed potentieel voor nieuwe hightech-industrieën, onder meer de dienstensector, regionaal en wereldwijd management en de biotechnologie, die zich onder meer op nieuwe rijstsoorten richt. Lin zegt dat Taiwan bovendien een extra concurrerend voordeel heeft wegens zijn democratisch systeem. ,,Dankzij onze democratie zullen we sowieso meer creativiteit, aanpassingsvermogen en concurrentiekracht hebben dan China en andere traditionele landen'', aldus professor Lin.