Cultuurpessimisten moeten dood

`Het vaarwel van de Muzen' is het thema van het jongste nummer van Nexus, en het was ook het thema van een congres vorig jaar in Tilburg. De titel, de derde in een reeks die `Het testament van de 20ste eeuw' heet, suggereert dat er iets, en wel het kunstzinnig vermogen, de kennis die we hebben dankzij de Muzen, de `mooie kennis' verdwenen is. Die stelling lijkt een uitnodiging tot cultuurpessimisme, en dat is dan ook precies waar George Steiner en in mindere mate Roger Scruton mee voor de dag komen: sombere overwegingen over wat er bezig is te mislukken, te verdwijnen. Omdat ze somber zijn, hebben ze nog niet alleen maar ongelijk. Zeker Scruton niet, die droevig mompelt over verlies, maar ook zegt wat hij wel belangrijk vindt en hoe dat gered zou kunnen worden. Hij houdt een pleidooi voor het `heiligen' van belangrijke dingen, voor het buiten markt en prijs houden van alles wat ons echt iets waard is. Begrippen als schoonheid en liefde zijn `intrinsieke' waarden, die belangrijk zijn om zichzelfs wille, niet om wat ervoor betaald wordt. Lezers van het Cultureel Supplement van deze krant zullen vertrouwde zinnen in Scrutons essay tegenkomen, die ook klonken in de onlangs gevoerde discussie over markt en kunst die werd aangezwengeld door H.J.A. Hofland.

Steiner zucht en moppert dat de humaniora, dat wil zeggen kunst en filosofie, de mens niet tot een beter wezen hebben gemaakt, en hij beweert dat wij `alleen zijn met onze woorden'. Eigenlijk maakt Steiner nogal eens de indruk dat hij het vooral betreurt dat hij zelf, of eventueel mensen zoals hijzelf – al geeft hij er zelden blijk van een lévend mens hoog te achten – zullen verdwijnen met al die kennis van Shakespeare, Mozart en Dostojevski, mensen die vrijelijk kunnen ronddwalen in de voorbije eeuwen van de westerse kunst en filosofie, die daaruit kunnen citeren en zich daar thuis in voelen. En dat is natuurlijk ook een verlies. Maar niet ten onrechte merkt Robert Boyers, een oud-leerling van Steiner, op dat het eigenaardig is om van een eeuw die schrijvers heeft voortgebracht als Ingeborg Bachmann, Seamus Heaney en Czeslaw Milosz te beweren dat er alleen maar van alles verloren is gegaan. ,,De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er vandaag de dag in Europa iets wordt voortgebracht wat heel erg op belangrijke kunst lijkt.'' Boyers gelooft niet dat ons gevoel voor het mysterie zo totaal verdwenen is als Steiner zegt, als er dichters als Adam Zagajewski aan het werk kunnen zijn.

Steiner en Scruton worden beiden frontaal aangevallen door René Boomkens, hoogleraar filosofie en `popprofessor', die weinig geduld heeft met vooral Steiners klaagzang. Steiner is `geen intellectueel meer', schrijft Boomkens, Steiner is een foefje, een profeet die automatisch uitroept dat alles ijdelheid is en daarmee impliceert dat hij zelf dat niet is. Het stuk van Boomkens, die met verve het cultuurpessimisme bestrijdt, is beslist meeslepend, al maakt hij zich af en toe te boos om nog veel nuancering toe te laten. Alle cultuurpessimisten moeten dood. Gelukkig staan in dit dikke nummer ook stukken van mensen die zich niet afvragen waar de muzen gebleven zijn, maar wat ons te doen, te denken, te maken, te wachten staat. Daarover valt nog veel te zeggen.

Nexus nummer 27. Uitg. Nexus

Instituut Tilburg, ƒ37,50.

Inlichtingen (013) 4663450.