Annexaties 1

In zijn column van 13 februari gispt J.M. Bik de randgemeenten van Den Haag over het zijns inziens benepen lokale chauvinisme van de randgemeenten, omdat ze niet voetstoots grondgebied willen afstaan. Hij verliest daarbij een paar punten uit het oog, die toch niet van enig belang ontbloot zijn.

Allereerst vinden wij algemeen in Nederland de lokale democratie van groot belang. Gemeentebesturen zijn de zetel en de uitdrukking van de lokale democratie. Welke zin heeft het aan het bestaan van lokale democratieën te hechten, indien het verwerpelijk zou zijn om vast te houden aan het bestaan van een lokale gemeenschap zoals die gestalte krijgt in een gemeente, alleen al omwille van die lokale gemeenschap zelf? Dat vasthouden geschiedt onder meer d.m.v. inspraak, een bestuurlijk middel dat speciaal daarvoor geschapen is. Ik begrijp het badineren over een speeltuin en een tennisclub dan ook niet. Vindt Bik dat wellicht democratie van het tweede garnituur?

Ten tweede. De desbetreffende randgemeenten hebben in het verleden goed op de winkel gepast. Zij konden goed rondkomen met hun geldmiddelen, en hadden soms overschotten. Voor deze oppassendheid zijn zij reeds gestraft door solidariteitskortingen op hun uitkering uit het gemeentefonds. Zolang het daarbij gaat om extra toedelingen aan grote gemeenten die structureel ook grotere problemen hebben, is daar veel voor te zeggen. Maar de gemeente Den Haag is grotendeels door eigen schuld in de financiële problemen gekomen, nl. door het decennialang gevoerde eenzijdige bouwbeleid, waardoor te veel koopkracht uit die gemeente is verjaagd. Wat is, alweer, de zin van een goed en degelijk lokaal openbaar bestuur als het gestraft wordt voor slecht bestuur elders?

Ten derde. De randgemeenten hebben in het verleden reeds uitentreuren te kennen gegeven besef te hebben van de problemen van de grote stad, en hebben meermalen aangeboden Den Haag op allerlei terreinen tegemoet te komen en op velerlei terreinen samen te werken, met name op het punt van woningbouw. Zo heeft de gemeente Wateringen reeds in 1994 een convenant met Den Haag gesloten waarbij Wateringen een kwart van zijn grondgebied en exploitatiewinsten op een nieuw industrieterrein afstond. Zeer terecht is Wateringen dan ook van verdere annexatie vrijgesteld. Dat Den Haag het makkelijker vindt om delen van de randgemeenten op te slokken is, in het licht van het vorenstaande, dan ook geen relevant argument.

Ten vierde. De motie Remkes c.s. maakte geen einde aan de stadsprovincie; die was bestuurlijk allang overleden omdat niemand de toegevoegde waarde ervan inzag. De motie was bedoeld als een soort troost voor Den Haag. De motie bevat overigens een onuitvoerbare aanbeveling waar zij verwijst naar een `feit dat helemaal geen feit is' (een zgn. resterend deel van een gebied, welk deel nooit bestaan heeft.) Het is dubieus dat een dergelijke ongefundeerde motie toch zo'n invloed kan hebben.