Albanese guerrilla niet effectief te bestrijden

De Macedoniërs brengen tanks naar Tetovo en KFOR gaat de grens tussen Kosovo en Macedonië beter bewaken. De Albanese strijders zullen van beide maatregelen niet wakker liggen.

Met veel machtsvertoon voert het Macedonische leger versterkingen aan naar de stad Tetovo, die door Albanese rebellen wordt bedreigd. Maar de zwaarte van het materieel – tanks en artillerie – is recht evenredig met de onmacht van het leger van de jonge Balkanstaat om de Albanese rebellen effectief te bestrijden.

Een guerrilla is nog nooit gewonnen met zware wapens. Het rotsachtige, beboste grensgebied met Kosovo en Albanië kan in het `zakboek voor de guerrilla' worden omschreven als `ideaal.' De uitwijkmogelijkheden zijn legio en daarbij maken de strategische beperkingen de NAVO en KFOR tot een reus op lemen voeten.

Op papier beschikken de strijdkrachten van Macedonië over zo'n vijftienduizend man, maar het is niet aannemelijk dat meer dan een tiende daarvan effectief voor gevechtsoperaties kan worden ingezet. Zo bestaat iets meer van de helft van het leger uit niet of nauwelijks getrainde dienstplichtigen. En de dubieuze loyaliteit van de Albanese beroepsmilitairen maakt hun aandeel waardeloos.

Ook de uitrusting van de Macedoniërs is verouderd, of – zie de tanks – gewoon ongeschikt voor low-intensity-operations, zoals dit soort gevechtsacties worden genoemd. Het materieel bestaat vooral uit afdankertjes van het voormalige Joegoslavische leger dat het land begin jaren negentig verliet. Duitsland leverde occasions van het vroegere Oost-Duitse leger en de VS schonken een paar Hummers, een soort jeeps.

De Albanese rebellen – de schattingen over hun aantallen lopen uiteen van enkele honderden tot een paar duizend – kunnen zich haast vrijelijk bewegen en krijgen daarbij in toenemende mate steun vanuit de Albanese minderheid. Zelfs tijdens het beleg van de moslim-enclaves in Bosnië in de eerste helft van de jaren negentig door de Bosnische Serviërs – zoals Srebrenica, Goraźde en Zepa – liepen moslimstrijders over geitenpaadjes over de bergen de belegerde gebieden in en uit.

Het vermogen van de NAVO om de Albanese bewegingsvrijheid te beteugelen en aanvoerlijnen af te snijden is om verschillende redenen niet groot. De grens tussen Kosovo en Macedonië is bijna honderd kilometer lang. Hoe de veertigduizend KFOR-militairen, eventueel aangevuld met versterkingen, het gebied hermetisch moeten afsluiten is onduidelijk. Talrijk zullen die versterkingen in ieder geval niet zijn. De Amerikanen staan dubbelhartig tegenover Balkan-operaties en de Scandinavische landen hebben al gezegd geen extra troepen te sturen.

De vraag wat een KFOR-patrouille moet doen, wanneer een onderschepte patrouille Albanezen botweg meedeelt zich van een stopverbod niks aan te trekken, is moeilijk te beantwoorden. De zorgvuldig bewaakte neutraliteit sneuvelt bij het eerste gerichte schot van de KFOR-militairen.

Vooral de Amerikanen hebben door partijdigheid mislukte peacekeeping-missies nog vers in het geheugen liggen. Nadat president Reagan begin jaren tachtig de christelijke Libanese regering steunde tegen de moslimfacties, werd hun status van `sterke vriend' letterlijk in één klap verwoest door de zelfmoordaanslag op de Amerikaanse ambassade in Beiroet. Ook in Somalië luidde het gewapend ingrijpen in 1993, die door sommige clanleiders werd uitgelegd als partijdigheid, een Amerikaanse bloody nose in. Nadat, onacceptabel voor het thuisfront, tientallen doden waren gevallen trokken de VS zich schielijk terug.

Er zijn aanwijzingen van groeiende spanning tussen een doctrinair verschil van inzicht tussen het Britse en Amerikaanse KFOR-contingent. Britse militaire planners zouden geïrriteerd zijn doordat de Amerikanen niet in staat zijn het grensgebied tussen Kosovo en Macedonië af te sluiten. De Britten geloven dat KFOR met zo'n veertigduizend man over genoeg mankracht beschikt om de grens te controleren. Maar alleen, citeert de conservatieve Daily Telegraph van vandaag een Britse militair, ,,als de Amerikanen niet zo geobsedeerd waren met hun eigen veiligheid.''

Sir Charles Guthrie, de voormalige chef defensiestaf van het Britse leger, deed er nog een schepje bovenop door in hetzelfde blad te stellen dat ,,de Amerikanen lijken te denken dat peacekeeping iets is voor watjes.''