Admiraal de Ruyterweg

Ach, die kunstenaars. We zouden zijn nieuwe atelier gaan bekijken en hij had gezegd dat we om vier uur moesten komen, dan was hij wel wakker en aangekleed, maar of dat nou waar was of niet, de deur deed hij niet open. Een kunstenaar van de oude stempel, die zich niet laat ringeloren door afspraken met het burgervolk.

Het was niet erg, het kwam eigenlijk wel goed uit. ,,Dan gaan we naar de Baarsjes'', zei mijn vrouw. Dat is een Amsterdams stadsdeel waar ze kort daarvoor voor het eerst van haar leven was geweest en om de een of andere reden had ze zich in het hoofd gezet dat de Baarsjes het helemaal gaan maken, ja, het was zelfs zo erg dat ze nauwelijks nog de schoonheid kon zien van ons eigen binnenstadsgrachtje, dat maar saai en kneuterig was vergeleken bij de Baarsjes.

,,Je ziet het nog niet, want er moet veel worden opgeknapt, maar dan wordt het een soort kruising tussen de Village en...''

Het is al goed, ik heb weinig aansporing nodig om die kant op te gaan, want daar in de buurt ben ik opgegroeid. Ik kom er niet vaak meer, maar ik droom er nog wel eens van, niet van mijn eigen straat, maar van de straten die er vlak bij liggen en vooral van de galerijen en de binnentuinen in de huizenblokken, en die dromen zijn geheimzinnig en een beetje opwindend.

We lopen eerst door het gebied van de kades die naar negentiende-eeuwse schrijvers zijn genoemd. Toen het bebouwd werd moet de faam van Douwes Dekker aanzienlijk minder zijn geweest dan die van Da Costa en Van Lennep, want hij heeft maar een onaanzienlijk straatje gekregen.

De binnenstadsbewoner kijkt op die kades een beetje neer, maar nu kijken we met een ander oog en we zien de robuustheid van de grote gebouwen, een fabriek, een brouwerij, een theater, geheel opgeknapt en in oude glorie hersteld. En als we bij de Tweede Kostverlorenkade zijn gekomen is het niet moeilijk meer om dit ruime water met echt scheepvaartverkeer te verkiezen boven de grachten van het openluchtmuseum van de binnenstad.

Dit is zo'n beetje het punt waar vroeger voor mij de stad begon en waar hij nu ophoudt, nu we in omgekeerde richting lopen. Als om het te markeren is er een schaakcafé.

En verder is er iets wonderlijks, dat ik in de tien jaar dat ik er dichtbij woonde nooit gezien heb, de Slatuinenweg. Kleine, zeventiende-eeuwse huisjes, midden in een stadsdeel dat vroeg in de twintigste eeuw is gebouwd. Vroeger moet het een pad in het niets zijn geweest. Ik hoor dat de huisjes op de nominatie stonden om te worden afgebroken, maar dat de bewoners zich met succes hebben verzet.

En dan zijn we waar ik voor gekomen ben, de Admiraal de Ruyterweg. Het is een lange weg die helemaal naar Sloterdijk gaat en Kees Fens heeft geschreven over de `goede kant' en de `foute kant' van de Admiraal de Ruyterweg. Ik woonde aan de foute kant, meer naar Sloterdijk toe, en dat is nog een eind lopen.

Zo ver dat ik geen tijd heb om te doen wat ik zou willen, alle zijstraten inlopen en de zijstraten daar weer van en de binnentuinen en de galerijen van mijn dromen. De bioscoop is er niet meer, dat weet ik, maar zou het Opklapbeddenpaleis er nog zijn?

Ik moet nog ergens een waterverfschildering van de Admiraal de Ruyterweg hebben, gemaakt op de Lagere School. Hoge huizen in zwaar grijs, bruin en zwart, slechts een straaltje licht voor een paar spelende kinderen. Vond ik mijn straat echt zo somber?

Ik geloof het niet. Later gingen we naar wat toen een `tuinstad' heette, met veel licht en lucht en verder niets. Het was een deportatie die ik zelf had opgeroepen door op de vloer te stampen, waardoor de onderburen boos werden en mijn ouders zeven magere jaren spaarden voor een huis zonder onderburen. Toen stampte ik allang niet meer, maar het kwaad was geschied.

Een paar blokken voor we bij mijn oude huis zijn, verandert het stadsdeel van naam, het is niet meer de Baarsjes maar nu Bos en Lommer. Een naam die weinig goeds belooft voor een stadsdeel. Guus Luijters, die ook uit de buurt komt, vertelt in zijn boek De verdwenen stad dat hij zich bij een tennisclub aanmeldde en dat een andere nieuweling vroeg waar hij vandaan kwam. Bos en Lommer, zei hij, en toen ging die jongen snel bij een ander groepje zitten.

Maar toch, eigenlijk zijn de huizen wel mooi, soms met fraai glas in lood en de deuren tonen de kloeke schoonheid van de Amsterdamse School, als je er niet op let hoe afgebladderd ze zijn.

Een bocht en dan het blok waar ik woonde. Eerst het café op de hoek, waarheen mijn vader me wel eens meenam als hij ging biljarten. Hij heeft er een keer geld uitgeleend en het nooit teruggekregen, zei mijn moeder. Wat was ze blij toen we verhuisden naar een buurt waar geen biljartcafé was waar je geld kon uitlenen dat je niet terug kreeg. Het is nu een Turks café en ik denk niet dat ze me het uitgeleende geld nog teruggeven.

De deur van mijn huis blijkt piekfijn opgeknapt en nu is het werkelijk een van de mooiste deuren van de straat, wat zeg ik, van heel Amsterdam zelfs, daar zouden die grachtenbewoners van opkijken, wat een verrassing!

Vlak daarvoor was er een nog grotere verrassing geweest, na de laatste bocht. Je ziet dan de kerk, daarna is er nog een flink stuk en dan hield de wereld ongeveer op, vroeger. Nu niet meer, want er achter, in Sloterdijk, is een enorm gebouw gekomen, het lijkt wel het hoogste gebouw van de stad en als King Kong of een monster uit een Japanse rampenfilm houdt het mijn oude buurt in een greep. Het is het gebouw van de Belastingdienst en er staat een beeld van Jeroen Henneman op het dak. Een mooi en sierlijk beeld, dat moet ik toegeven, maar zelden is een kunstwerk zo ontregelend geweest.

We gaan terug met de tram en in iets meer dan een kwartier maak ik een tijdreis van vijfenveertig jaar. Ik bel Jeroen nog even op en hij lacht en zegt: ,,Je moet op de Admiraal de Ruyterweg hebben gelopen, daar kun je het prachtig zien.''