Stoere dingen

Wat zou Henri Polak hebben gevonden van de bovenmaatse, soms hard, soms zacht dreunende windmolens die op steeds meer plaatsen in het Nederlandse landschap staan? Henri Polak (1868-1943) was een unieke man, vakbondsbestuurder, SDAP-politicus en cultuurminnaar, over wiens leven een paar jaar geleden een indrukwekkende biografie is geschreven door Salvador Bloemgarten. Ik kon het boek nog net in de ramsj kopen, waarschijnlijk is het nu weg. Daarom zal ik u hier vertellen over de fascinerende windmolenepisode.

Naast veel andere liefhebberijen (Wagner luisteren, autorijden, rokken jagen) was Polak namelijk iemand die zich druk maakte over de schoonheid van ons land. Hij schreef er stukjes over in het Algemeen Handelsblad, de moeder van de krant die u op dit moment leest. Polak was, zoals dat vroeger heette, Heemschutter. Een van de eerste hoogtepunten in de nog jonge beweging voor monumentenbehoud was de strijd voor de molens, die vanaf 1918 in hoog tempo werden afgebroken. Steeds meer polders kregen moderne elektrische gemalen, steeds meer graan- en verfmolens gingen over op stroom. De oude molens, sieraden van het Hollandse landschap, gingen er aan. In 1923 werd `De Hollandsche Molen' opgericht, een gezelschap van verontruste, deftige heren, om hier iets aan te doen. Henri Polak, die aan deftigheid helemaal geen hekel had, zat in het bestuur.

Er ontspon zich een debat tussen de molenbeschermers en de ingenieurs, die het onzin vonden om dingen te laten staan die nergens meer toe dienden (de tijd dat mensen goud geld zouden betalen om er in te mogen wonen, lag nog ver in het verschiet.) Maar de vereniging was niet van gisteren: zij schreef een prijsvraag uit voor het bedenken van een methode om de oude molens zelf effectiever te laten malen. De uitkomst was een hulpmotor, die in later jaren inderdaad veel is toegepast.

De provinciale energiebedrijven zagen daar niks in. Elektriciteit verkopen wilden ze, en ze boden molenaars die volledig overschakelden, een antiwindenergiepremie in de vorm van korting op de stroomprijs.

In zijn woede hierover werd Henri Polak tot een van de vroegste pleiters voor windenergie en belangrijker nog, tegen verspilling van fossiele brandstof (de kolen, waarmee in Nederland stroom werd opgewekt). ,,De voorraden, die de natuur in den aardbodem opgehoopt heeft, zijn niet onuitputtelijk. Men behoort er dus zoo zuinig mogelijk mee om te springen'', schreef hij – bijna een halve eeuw voor de Club van Rome.

Opkomen voor de oude molens was extra dapper, omdat Heemschutters (en zeker socialisten zoals Polak) ook toen al erg beducht waren om voor oude sokken te worden versleten. Neenee, riepen zij voortdurend, we zijn niet tegen de vooruitgang, niet tegen moderne architectuur, we willen alleen het goede, mooie bewaren. Geen nep, geen namaak, weg is weg (Polak had zelfs gepleit tegen het herbouwen van de Venetiaanse Campanile, de middeleeuwse klokkentoren op het San Marcoplein die in 1902 was ingestort). Heus, wij willen er geen openluchtmuseum van maken

Zo riepen monumentenzorgers aan het begin van de moderne twintigste eeuw, en zo zijn de meesten sindsdien blijven roepen. De wereld mag blij zijn dat men in Venetië, of in de verwoeste Vlaamse steden na de Eerste Wereldoorlog, niet naar ze heeft geluisterd, en gewoon de boel weer is gaan opbouwen.

Net zoals Nederland blij mag zijn dat er nog heel wat oude windmolens zijn blijven staan. Maar wat te denken van de nieuwe turbo-exemplaren, door minister Jorritsma dezer dagen nog uitverkoren tot haar lievelingen op het terrein van de vormgeving van Nederland? `Prachtige, stoere dingen' noemt zij ze, met dezelfde woorden die Polak in een column (Algemeen Handelsblad, 31 januari 1925) gebruikt voor oude molens. Haar, als molenaarsdochter, doen de nieuwe molens denken aan de oude.

Mij eerlijk gezegd helemaal niet. Ik vind ze wanstaltig en het zijn er te veel. Maar ja, Polak had gelijk met zijn pleidooi voor windenergie, de aarde raakt steeds opper, en wat moet je? Daarom zou ik wel willen weten wat Henri Polak zou zeggen als hij nu leefde. Ik zal het zijn biograaf eens vragen.