Laatste opera van Britten nu pas in ons land

Ruim een kwart eeuw heeft Death in Venice (1973), de laatste opera van Benjamin Britten, op een concertante Nederlandse première moeten wachten. Brittens muziek gold lange tijd als `te weinig vernieuwend', maar beleeft de laatste jaren een herwaardering. Dit seizoen werden onder meer Curlew River en Peter Grimes scènisch opgevoerd, komende winter volgt ook de lang verwachte scènische première van Death in Venice bij Opera Zuid.

Het is typerend dat de concertante Nederlandse première van Death in Venice door de Matinee op de Vrije Zaterdag werd gerealiseerd. Jouke van der Leest, altviolist van het Radio Kamerorkest, uitte voor aanvang zijn bezorgdheid over het voorbestaan van de Matinee, en sloot zich daarmee aan bij artistiek leider Jan Zekveld. Als de Tweede Kamer het advies van de commissie-Hierck opvolgt, zullen tweeënzeventig omroepmusici worden ontslagen. Daardoor staat het voortbestaan van de Matinee – een originele en onmisbare concertserie in het Nederlands muziekleven – op de tocht.

Twee jaar na Visconti's beroemde gelijknamige film voltooide Britten (1913-1976) Death in Venice met zijn laatste krachten, waardoor het leven van de componist en het onderwerp van de opera nauw zijn vervlochten. Het libretto, gebaseerd op Der Tod in Venedig (1912) van Thomas Mann, zette Manns novelle om in zeventien aanééngeregen scènes. Schrijver Gustav von Aschenbach maakt in zijn levensavond een reis naar Venetië, wordt verliefd op de wonderschone Poolse knaap Tadzio, verliest zich in een Dionysische roes en sterft wanneer hij Tadzio eindelijk bij naam heeft durven noemen.

Britten componeerde de rol van Aschenbach voor tenor Peter Pears en realiseerde daarmee de zwaarste partij in beider vijfendertigjarige muzikale en niet-muzikale relatie. De rol van Aschenbach drijft de handeling zonder veel interactie met de andere personages en eist bovendien een vocale hypersensitiviteit die gedurende tweeënhalf uur steeds vastgehouden moet worden.

Tenor Anthony Rolfe-Johnson gaf Aschenbach op een reliëfrijke, menselijke en vocaal superieure wijze gestalte en ving de vaak verontrustend directe uitdrukkingskracht van Brittens muziek in precies de juiste combinatie van kwetsbaarheid, introspectie, hartstocht en verscheurdheid. Rolfe-Johnsons vocale tour de force culmineerde in zijn liefdesbetuiging aan Tadzio (`Ah, don't smile like that!') aan het eind van de eerste akte en de stille, zielsontroerende alleenspraak (`Does beauty lead to wisdom, Phaedrus?') voor het slot.

Naast Anthony Rolfe Johnson was bariton David Wilson-Johnson in de kameleontische veelzijdigheid van zijn stem en uitstraling een ideale vertolker van de duivelse rollenreeks Dionysos, reiziger, fat, gondelier, hotelier, kapper en komediant – allen personificaties van het noodlot dat Aschenbach hier zeer overtuigend bedreigde, inpalmde, bedwelmde en opeiste. In de uitstekend bezette kleinere rollen – deels gezongen door leden van het Groot Omroepkoor -bleek met name countertenor Brian Asawa een uitgelezen, koele Apollo.

Het onder Kenneth Montgomery oplettend spelende Radio Kamerorkest gaf de gelaagdheid van Brittens muziek zwoel en levendig gestalte, waarbij vooral de niet gezongen maar in het slagwerk geschetste bekoringen van knaap Tadzio soepel en verlokkend opklonken. Gepaard aan het uitstekend zingende Groot Omroepkoor realiseerde de Matinee op de Vrije Zaterdag een Nederlandse première van Death in Venice die door Opera Zuid muzikaal moeilijk zal zijn te te evenaren.

Concert: Death in Venice van B. Britten door het Radio Kamerorkest/Groot Omroepkoor o.l.v. Kenneth Montgomery. Gehoord: 17/3 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 24/3 19 uur.