La Sylphide als een avondje Jiskefet

Maanbeschenen is het bos. Op haar teenpunten trippelt de sylphide, een luchtwezen, nagejaagd door de Schotse edelman James. Die tracht haar met een sjaal te vangen, maar op het moment dat hij haar gevangen heeft, vallen haar vleugeltjes af en sterft ze. Moraal van het verhaal: een ideaal wordt nooit bereikt en verlangen is beter dan bezitten.

Taglioni's La Sylphide luidde in 1832 in Parijs het romantische ballet in. Sterker nog, het ballet werd het prototype daarvoor. Met haar techniek van de pointes die de bovennatuurlijke sylphiden de schijn van gewichtloosheid verleende; met haar witte kledij die door gaslicht beschenen de magische scènes extra mysterieus maakte. Met haar thema's van goed en kwaad, en van helden die dromen najagen en zich daarvoor in het ongeluk storten.

Prachtig is dat prille romantische ballet waarin nog zo onversneden die Sturm und Drang-mentaliteit zit. Waarbij destijds het volk zich vergaapte aan de aktes vol horror, seks en geweld, waaraan later de gezeten burgerij zich laafde om even bevrijd te zijn van de benauwende gedachte van dreigend volksoproer.

De ballerina werd de icoon van de negentiende-eeuwse romantiek. In dit specifieke ballet wordt ze ook gezien als belichaming van de muze die de kunstenaar inspireert. Zelfs wordt ze beschouwd als symbool van de westerse wetenschap die de natuurkrachten bedwong, hoger en hoger vloog, evenals dit etherische schepsel op haar pointes. Die achtergrond is interessant en het ballet is binnen die context boeiend, maar is als zelfstandig kunstwerk artistiek gezien voor nu te mager.

Het Nationale Ballet voert het ballet nu voor het eerst uit. Niet het origineel, dat ging verloren, maar de overgeleverde versie van de Frans-Deense choreograaf Auguste Bournonville uit 1836. Die heeft de toets van de tijd niet doorstaan.

Waar ligt dat aan? Om te beginnen aan de muziek van de Noor Hermann Løwenskjøld, diens enige hit ofwel lucky single, gecomponeerd in opdracht van de choreograaf. Een Tsjaikovski was hij niet, zelfs niet bij benadering.

Ook het decor in de eerste acte – dat het interieur van James' landhuis met hanebalken en jachttrofeeën boven een knapperende haard toont – valt nu onder de categorie camp. Voeg daarbij de balletpantomime om het verhaal uit te beelden, de waarzegster en travestie die expressief gebaart en de namaak Schotse volksdansen en je hebt alle ingrediënten voor een goed avondje Jiskefet bij elkaar.

Enig lichtpuntje hierin is de Sylphide met haar broze gebaren, de vinger aan de mond als teken van zwijgen, die met vliegensvlugge trippelpasjes de aandacht vraagt. Dat ze rechtstandig door de schoorsteen omhoog vliegt, gaat er als goede grap dan wel in.

In zijn geheel beter is de tweede acte, die zich in een fantasiewereld afspeelt, in het bos van de sylphiden. Wel moeten we eerst door een gruwelijk mime scène met heksen heenbijten alvorens te belanden bij een betoverend ballet blanc van witte nimfen, zestien in getal, die decoratief gedrapeerd zijn rond het solistenpaar. De armen gestileerd tot sierlijke golven. Als een tableau van porseleinen poppetjes, kleinoden in de stijl van biedermeier. Dat laatste klopt, want met die Weens burgerlijke, op behagen gerichte ontwerpstijl is de dans van Bournonville vaak vergeleken. Diens stijl kenmerkt zich door klein en exact voetenwerk, korte en zuivere lijnen waarbij het bovenlichaam met de armen nagenoeg gefixeerd blijven. Een weinig meeslepende stijl, die in Kopenhagen aan het Koninklijk Deense Ballet sindsdien zorgvuldig geconserveerd is.

Ook dit romantische ballet blanc ontkomt niet aan een zekere stijfheid, waardoor het op zijn best een lieflijk prentkaartenballet is. Het mag dan ook een wonder heten dat destijds de dominees hier te lande zich hierover opwonden. Als die etherische nimfen al iets uitstraalden dan is dat toch kuisheid. Eerder zou je denken dat de zinnen geprikkeld raakten door de pikante aanblik van de stevige mannendijen die bij het springen onder de Schotse kilts vandaan komen. Nu wordt door de mannen gelukkig veel gesprongen én gebatteerd, wat eveneens typerend is voor de Deense stijl. Dat zorgt nog voor enig peper en zout in een verder te melig geheel.

De Deense Dinna Bjørn heeft het werk overigens kundig ingestudeerd. Larissa Lezjnina is een fraaie hoofdrolvertolkster: vederlicht, snel in de voeten, zacht in de armvoering en met een licht poëtische expressie. Vjatsjeslav Samodoerov danst James daarentegen weinig overtuigend. Hij batteert stug, draait soms krampachtig en brengt de twijfel en wanhoop van James niet voldoende over. Wel stevig in hun rollen zijn Cedric Ygnace als Gurn en Natalia Hoffman als Effy. Daarnaast valt de stralende Marissa Lopez op. De danseressen uit het corps de ballet hebben zich de eigenschappen van de Deense stijl zozeer eigen gemaakt, dat ik dit ballet na één keer voorgoed voor gezien houd.

La Sylphide. Door Het Nationale Ballet. Choreografie: Bournonville/ Dinna Bjørn. M.m.v. Nederlands Balletorkest. Gezien: 18 maart. Muziektheater Amsterdam. Aldaar: 21/3 t/m 8/4. Toernee: t/m 12 mei.

Inl. (020) 5518225.