Goddelijke fluitmuziek nu naar aardse voorbeelden

`Ik ben die Ik ben, Jahweh van de Heerscharen, Koning der Koningen' – maar hoe onvergelijkbaar indrukwekkend ook, steeds minder geloven in Hem. George Steiner vroeg zich af: kunnen belangrijke muzikale scheppingen wel bestaan in afwezigheid van een `rivaliserende maker'? In het hedendaagse postmodernisme put de componist minder uit een eigen `goddelijke' bron, dan wel uit die van een rijk aards verleden. En dan is een concert onder de titel `Le peintre et son modèle' onvermijdelijk.

Het schitterend gedisciplineerd Nederlands Fluitorkest, bovendien koloristisch verrassend rijk, speelt dezer dagen een voorbeeldig samengesteld programma. Edison Denisov (1929-1996) varieerde op de mars van de priesters uit Mozarts Die Zauberflöte. Klaas de Vries (1944) ging uit van een verrassend moderne fantasie van Purcell. Keyla Orozco (1970) vond inspiratie in Cubaanse folklore. En Thomás Marco (1942) baseerde zijn Rosa de los vientos op een lied van De Falla. Aardig was dat dirigent en samensteller Jorge Caryevschi de modellen aan de nieuwe werken liet voorafgaan (alleen Denisov maakte een bewerking van een oudere compositie) en zo was er een kijkje in de werkplaats van de componist.

De pionierswerken van het postmodernisme, zoals Van Baarens Musica per Orchestra (1966), of Berio's Sinfonia (1968), boden al eerder een vergaarbak aan geciteerde composities. Hier wordt steeds één compositie onder de loep genomen. Het meest geconcentreerd ontpopte zich De Vries' Lux et umbrae, uitgaande van Purcells vijfstemmige Fantasy upon One Note uit 1680 (een annus mirabilis van de 21-jarige componist) met als technisch hoogstandje een c in de middenstem gedurende het gehele werk. Daarbij is het tevens een intens emotionele muziek, veel persoonlijker dan de vergelijkbare fantasieën van Lawes Jenkins of Locke.

Ook het nieuwe werk van De Vries fascineert door zowel vernuft als emotionaliteit. Het ensemble van dertig fluiten wordt alleen in het centrum als een tutti ingezet, gelijk een `Boulez'-achtige wolk. Steeds passeren slechts enkele melodisch verfijnde draden met een sierlijk geweven, karakteristieke triool luchtig door het ensemble heen. Het enige dat het werk van De Vries met Purcell verbindt, is dat er overal wel een bourdon klinkt. Purcell zelf wordt niet geciteerd. De vorm is overzichtelijk: vanuit het centrum opbouwend in een steeds hartstochtelijker betoog omhoog, om in de laagte af te dalen en uiteindelijk te smoren in een melodie in de basfluit. Het is evenwichtig en precies wat het moet zijn, van licht naar donker en dat laatste in een bijna religieuze ontlading - magnifiek!

Orozco's compositie vind ik te schetsmatig minimalistisch, zij het niet zonder Cubaanse humor. Het werk van Marco, eveneens wat wisselvallig, boeit in een broeierige, mystieke aanzet die zich helaas te eenzijdig verliest in trillers. Marco weet in ieder geval te woekeren met glissandi en Flatterzung in de contrabasfluit, want in de laagte is hij op zijn best. Vergeleken met De Vries is echter ook dit weer een te omslachtig, drukke compositie. Boeiend vond ik nog het inleidend adagio uit Mozarts ouverture voor Die Zauberflöte, dat in het fluitarrangement zweefde in magische contouren als nimmer tevoren, niet niet alleen een kijkje in een werkplaats, maar ook in Mozarts hart.

Concert: Nederlands Fluitorkest o.l.v. Jorge Caryevschi. Werken van De Vries, Marco en anderen. Gehoord: 14/3 Nieuwe Kerk Den Haag. Herh.: 22/3 Beurs van Berlage Amsterdam; 23/3 Nuon Zaal Arnhem; 24/3 Huis aan de Werf Utrecht.