De `verloren generatie' nam opnieuw wraak

Een ezel stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen. Dat doen alleen partijbonzen. De wijze waarop getracht werd de verkiezing van Sharon Dijksma als nieuwe voorzitter van de Partij van de Arbeid door te drukken, herinnerde sterk aan de lancering, twee jaar geleden, van het duo Lennart Booy & Erik van Bruggen. In beide gevallen presenteerde de partijtop de kandidatuur als een verjonging om de partij weer voor jeugdige kiezers aantrekkelijk te maken en vatten de leden deze op als poging hen buitenspel te zetten. De herhaling was bovendien voorspelbaar.

In het afgelopen decennium is als gevolg van de reorganisaties onder leiding van Felix Rottenberg de vroegere interne partijdemocratie grotendeels uitgeschakeld en de rol van de afdelingen beperkt. De macht van de ooit zo dominante gewesten is doelbewust gebroken, met als resultaat dat nu een onevenredig groot gedeelte van de PvdA-Kamerleden uit de Randstad komt, en een kwart zelfs uit Amsterdam. De rest van Nederland voelde zich begrijpelijkerwijs verwaarloosd. Deze kloof verklaart waarom bij de voorzittersrace van 1999 het ongetwijfeld veel mediagenieker en met veel tam tam op de markt gezette Amsterdamse duo het moest afleggen tegen Marijke van Hees, een vrij kleurloze, maar maatschappelijk toch iets meer ervaren dame uit Enschede.

Daar kwam nog iets bij. Zelfs in de hoofdstad zélf hadden Booy & Van Bruggen het pleit namelijk niet bij voorbaat gewonnen, en dat hangt samen met een tweede kloof. Het waren vooral de woordvoerders van de `protestgeneratie' uit de jaren zestig die zich, inmiddels in de zestig, bevreesd toonden dat de PvdA met hun aanstaande pensionering ook haar aantrekkingskracht op de jeugd zou verliezen. Opeens moest het allemaal drie decennia jonger, en werd Marijke van Hees – jaargang 1961 – als veel te oud in de hoek gezet. De parallel met de afgelopen weken is treffend, want ook Koole en Olij – beiden 47 – werden als overjarige knarren gediskwalificeerd. Andermaal werd een hele generatie geschoffeerd, en wel de late dertigers en veertigers, die inmiddels de ruggengraat van het partijkader vormen, Juist deze groep moest in groten getale voor diezelfde voorzittersvacature haar stem uitbrengen.

Het is deze generatie – vaak al als de `verloren generatie' betiteld – die zich hier door de protestgeneratie opnieuw overgeslagen ziet. Met de verwachting beroepsmatig te zijner tijd in de voetsporen van de jaren-zestigers te kunnen treden, heeft zij zich na het schoolexamen nog sterk op een toekomst bij de (semi-)overheid georiënteerd, omdat rond 1980 niemand twintig jaar afbraakbeleid in de publieke sector kon voorzien.

De verloren generatie bleef intussen hopen dat er voor haar, zodra het economisch weer wat mee zou zitten, wel ruimte zou komen, en ziet deze verwachting door de voortdurende bezuinigingswoede gefrustreerd. Aan de universiteiten komt zij bijvoorbeeld nauwelijks fatsoenlijk aan de bak, en moet zij het – ondanks aanzienlijk meer wetenschappelijke prestaties – alsmaar met losvaste aanstellingen doen omdat de vaste plaatsen door de protestgeneratie bezet worden gehouden. Gaat deze met de VUT, dan worden die vaste aanstellingen meteen wegbezuinigd: het geld is nu immers hard nodig om de rebellen van weleer ook na hun pensionering een prettig leven te bezorgen.

Ook in andere zones van de publieke sector doet zich dit contrast voor en ziet de verloren generatie de deur steeds in haar gezicht dichtgeslagen, als gevolg van de flexibilisering die door de protestgeneratie voor degenen die direct na haar komen wordt bepleit. Er zullen in de publieke sector nu dan ook maar weinig dertigers en veertigers werkzaam zijn die hun carrière straks net als Marcel van Dam kunnen afsluiten met de aankoop van een huis van vijf miljoen.

Anders dan de protestgeneratie, heeft de verloren generatie niet de oude regenten van het verzuilde Nederland met veel ideologische bombarie uit hun zetels gestoten om deze vervolgens zelf voor drie decennia in te nemen en zich daarin dan gaandeweg even regentesk te gedragen. Zij heeft zich altijd vrij loyaal tegenover de protestgeneratie opgesteld, in beginsel het zelfde waardenpatroon delend, maar een stuk sceptischer ten opzichte van de overspannen politieke toekomstvisioenen van de jaren zestig en een stuk bescheidener in haar eisen en pretenties, in de verwachting, dat er, zodra zij haar kwaliteit eenmaal bewezen zou hebben, ook voor haar plaats zou komen. Nu ziet ze zich echter overal plotseling gepasseerd omdat het van de vergrijzende protestgeneratie na haar eigen vertrek allemaal veel flitsender en dynamischer moet: leve de onbezonnen jeugd.

Dit alles geldt misschien voor de PvdA in het bijzonder. Voor de verloren generatie was de wijze waarop Dijksma nu in het zadel moest worden geholpen bijna een persoonlijke belediging. Het had bovendien wel van bijzonder weinig ruggengraat getuigd, wanneer het partijcongres dit over zich heen had laten gaan: in 1999 tegen de zin van de partijtop een bepaalde voorzitter kiezen, die vervolgens op onfrisse wijze weggewerkt te zien worden, en dan vervolgens wèl de droomfiguur van de partijtop slikken? De wijze waarop het congrespresidium vervolgens politiek via de notaris poogde te bedrijven deed de rest. Waar nog bij kwam dat in 1999 de kwalitatieve verschillen niet sterk in het oog sprongen, terwijl nu de balans evident naar Koole & Olij doorsloeg, omdat de tegenkandidate aanvankelijk niet meer te melden had dan dat politiek vooral `leuk' moest worden, en vervolgens, toen dat niet aansloeg, snel het programma van de concurrentie overnam. Dat dat een wat magere vertoning was, werd ook door de vermeende `eigen' achterban van Dijksma ingezien, de Jonge Socialisten.

Dat de meeste journalisten, net als twee jaar geleden, blijkbaar door deze uitkomst werden verrast, is een ander verhaal. Veel te veel op Den Haag georiënteerd en te gemakzuchtig adresboekjes raadplegend waarin slechts de telefoonnummers van (gewezen) partijgroten staan genoteerd, hebben zij de stemming bij de partijbasis kennelijk te weinig aangevoeld. Overduidelijk werd dat vorige week in een uitzending van NOVA, waar weer eens de eeuwige Van Thijns en Van Kemenades de revue passeerden om eenstemmig Dijksma tegen het mid-life bejaardendom te promoten. Het zijn de representanten van een partijgerontocratie van zestigplussers die zelf nog steeds niet allemaal vertrokken zijn, maar veertigers als oude mannen betitelen omdat zijzelf nu erg bezig zijn om de weg vrij te maken voor hun kroost.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.