WILHELMUS 8

Met grote belangstelling heb ik in uw W&O-bijlagen van 17 en 24 februari de brieven gelezen die reacties bevatten op de column van Marita Mathijsen (3 februari) over het `Wilhelmus'. In het bijzonder schijnt de betekenis van de term `duytsch' velen te intrigeren of zelfs te ergeren. Onnodig, want zoals brief 2 het in een bijna perfecte benadering van de waarheid zegt, `duytsch' (en klankvarianten, waaronder `dietsch') betekende van de Karolingische periode af (toen het woord werd gesmeed) tot in de zeventiende eeuw toe op heel het Germaanssprekende vasteland gewoon de `taal van het (Germaanse) volk', in tegenstelling tot het Latijn en de Romaanse dochtertalen daarvan, die eveneens in hun geheel `walsch' werden genoemd.

Willem bedoelde dus enkel te zeggen dat hij (hoewel óók prins van het Franse Oranje!) van afkomst een `Germaan' was. Trouwens, historisch onderzoek heeft uitgewezen dat Willem oorspronkelijk de Nederlanden niet uit het Rijksverband wilde losrukken. Van een apart taal- of zelfs volksbewustzijn in de Lage Landen (het huidige Nederland en Noord-België) ten opzichte van het huidige Duitstalige gebied was geen sprake, zeker niet vóór 1648. Toen pas echt begon de politieke ontwikkeling, die in dezen vooropliep, voor onze gebieden (de ontwikkeling van) een eigen nationale taal op te eisen – een idee die uiteraard in de romantische negentiende eeuw culmineerde.

Dat `duytsch' tot bij Vondel en Hooft toe nog als één taal met verschillende variëteiten werd beschouwd, blijkt onder andere uit uitspraken van zestiende-eeuwse geleerden als Simon Stevin en Hendrik Laurensz Spiegel. Een en ander staat te lezen in een reeks artikelen van mijn hand in vakpublicaties, voor het eerst in de `Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik' (Rodopi), 35 (1992), 191-205.