Uitbreiding onderzoek met DNA is ongewenst

Wat zijn de gevolgen van de toepassing van DNA in strafzaken, en waar liggen de wettelijke grenzen van het gebruik van DNA? Over deze vragen houdt De Rode Hoed in Amsterdam maandagavond in samenwerking met NRC Handelsblad een discussie. Als voorproefje twee tegenover elkaar staande standpunten. I.A.H.M. Stijns-Schepers legt de nadruk op het overtuigend bewijs dat met DNA in moeilijke zaken kan worden verkregen. Th.A. de Roos meent dat grootscheepse bevordering van DNA-onderzoek tot justitiële dwalingen zal leiden.

DISCUSSIE www.nrc.nl

1. Grootscheeps toepassen DNA-onderzoek werkt justitiële dwalingen in de hand

Bevordering van DNA-onderzoek op grote schaal in strafzaken werkt justitiële dwalingen in de hand. Het imago van de resultaten van dit onderzoek – grote betrouwbaarheid – bevordert dat het als routineus opsporingsmiddel zal worden ingezet, en dat de aandacht voor de klassieke opsporingsmiddelen afneemt.

Dat is een risico omdat de uitkomsten verkregen met die laatste middelen onder bepaalde omstandigheden in een andere richting zouden kunnen wijzen dan in de richting van de schuld van de verdachte.

Dat dit geen theorie is, bleek nog onlangs in een Tilburgse moordzaak, waarin de vermeende dader was geïdentificeerd aan de hand van DNA-onderzoek. Diens ontkenning maakte hem alleen maar nog verdachter, totdat een ander zich als de werkelijke dader bij de justitie bekendmaakte. Maar voor dat tijdstip had het openbaar ministerie al triomfantelijk bericht dat de zaak was opgelost.

De omstandigheid dat daders met biologische sporen kunnen manipuleren, en dat de geraffineerden onder hen dat ongetwijfeld zullen doen, zou extra argwanend moeten stemmen. De vraag is of dat ook gebeurt in de heersende DNA-euforie.

2. Opzetten databank en bewaren van celmateriaal levert grote beheersingsproblemen op

Het opzetten van een gigantische databank en bewaren van celmateriaal leveren grote beheersproblemen op. Dat is niet alleen het geval ten aanzien van beveiliging, gescheiden opslag en dergelijke, maar ook ten aanzien van de vernietiging wanneer zulks wettelijk vereist is. Dat feit vormt een bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer van burgers.

3. Er wordt inbreuk gemaakt op het beginsel dat niemand hoeft mee te werken aan tegen hem gericht onderzoek

De verplichting mee te werken aan afname van lichaamsmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek (dan wel afname onder dwang te dulden) vormt niet alleen een vergaande inbreuk op de privacy van de verdachte, maar ook op het beginsel dat niemand gehouden is mee te werken aan tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek, ook al wordt dit in de rechtspraak niet onverkort erkend. Deze combinatie brengt met zich mee dat met de inzet van DNA-onderzoek waarbij de afname van lichaamsmateriaal onder dwang wordt ingezet, uiterst terughoudend moet worden omgesprongen.

Het wetsvoorstel dat begin februari j.l. door de Tweede Kamer is aanvaard is echter bepaald niet terughoudend te noemen. Zo wordt, zonder dat de dringende maatschappelijk noodzaak daartoe aannemelijk is gemaakt, de mogelijkheid van afname van celmateriaal onder dwang uitgebreid tot verdenking van delicten zoals eenvoudige diefstal.

Diverse beperkingen en rechtswaarborgen worden geschrapt. Daarbij is de proportionaliteit uit het oog verloren.

4. Men gaat steeds verder met het gebruiken van lichaamsmateriaal als voorwerp van onderzoek

De omstandigheid dat het gaat om lichaamsmateriaal als voorwerp van onderzoek (anders dan bijvoorbeeld het geval is met de vingerafdruk, waarmee het DNA-onderzoek vaak in verband wordt gebracht) is op zichzelf al reden tot grote zorg.

Uit het actuele debat buiten en binnen de volksvertegenwoordiging komt naar voren dat de verleiding groot is steeds verder te gaan met het gebruik van het verkregen materiaal ten behoeve van strafrechtelijke opsporing en bewijsvoering.

De horden die gisteren nog onneembaar leken, worden vandaag niet eens meer opgemerkt. Zo wordt van verschillende zijden serieus gepleit voor het opnemen van het DNA-profiel van alle pasgeborenen in de databank van het Nederlands Forensisch Instituut.

De minister van Justitie heeft een nogal voorbarige regeling aangekondigd om DNA-onderzoek te kunnen gebruiken voor het vaststellen van andere persoonskenmerken dan uitsluitend de `genetische streepjescode'.

Deze ontwikkelingen brengen mij op mijn laatste stelling.

5. Overheid kan geen veiligheid garanderen

Meer in het algemeen bevorderen de elkaar opvolgende voorstellen tot uitbreiding van de toepassingen van het DNA-onderzoek de illusie van een overheid die ons absolute veiligheid kan garanderen, en die voor onze veiligheid dus ook verantwoordelijk is.

Ook al leven wij in een relatief fatsoenlijk land, er is geen enkele reden om welke overheid dan ook met een dergelijke verwachting op te zadelen, en die overheid zozeer te vertrouwen in de omgang met gevoelige persoonsgegevens.

Mr. Th.A. de Roos is hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Leiden.