Pubs

Geschreven heb ik voorlopig genoeg, ik heb zin in lezen. Ik sla de volgende bladzijde op in Siegfried van Harry Mulisch, bladzijde 124, en het begint me te duizelen.

Ik zie Mulisch als een man met een buitengewone fantasie, die op z'n best is als hij gewone dingen beschrijft. Deze combinatie heeft een aantal virtuoze romans opgeleverd. Ik denk aan De pupil, ik denk aan De elementen. En nu deze meedogenloze aanslag op Hitler.

Hier is sprake van `de tijd' als een muil zonder lichaam, van een rotsmassief zo grijs als sigarettenas, van een lucht zo zwart als de achterkant van een spiegel en van de Hitlergroet zoals hij gebracht werd door Hitler zelf: door de palm van de rechterhand losjes op te heffen, alsof daar een dienblad op moest. Zo paart Mulisch zijn superieure elegantie aan een bloedstollend verhaal. Dit is het volmaakte schrijven, hier wordt de onsterfelijkheid uit onze taal gehakt. Ik ben bereid om, op z'n minst voor de duur van dit boek, alles te geloven wat hij me wil laten geloven.

Dan vraagt Mulisch zich af wat Hitler toch met wolven had. Hij noemde zichzelf Wolf in de jaren '20. Hij noemde zijn hoofdkwartieren in de oorlog Wolfsschanze, Wehrwolf en Wolfsschlucht. Wölfi was bovendien de naam die hij gaf aan een van de pubs uit het laatste nest van Blondi, zijn Duitse herder.

Pubs? Eerst bevreemdt me dat, eerst kan ik dit woord alleen maar niet goed plaatsen. Dan dringt pas tot me door dat het fout is. Alsof je God ziet struikelen over de rand van het vloerkleed! Opeens is dit mensenwerk.

Natuurlijk raadpleeg ik hierna het woordenboek (met Mulisch weet je maar nooit, het kan een val zijn, eigenlijk moet ik een paar kennissen bellen om te vragen of zij ook pubs in hun Siegfried hebben staan). Maar geen twijfel mogelijk: wij spellen jonge honden anders dan Engelse kroegen.

Misschien tikt Mulisch zelf geen fouten – dan gaat zijn werk dus door de handen van mensen die het kunnen verminken. Misschien tikt Mulisch voortdurend fouten – en dan gaat zijn werk door de handen van mensen die het moeten verbeteren. De ene gedachte is nog verontrustender dan de andere. Hoe kunnen wij nu nog tot Mulisch komen?