Oorlog

Niet zozeer de inhoud van het boek van de heer Arnold Karskens `Pleisters op de ogen, pleisters op de mond' heeft mij verbijsterd. Karskens voert immers al sinds 1995, toen mijn journalistiek werk bekroond werd in Nederland, een systematische campagne tegen mij. In een niet aflatende stroom van artikelen en interviews probeert hij mijn geloofwaardigheid aan te tasten. Telkens weer heb ik de feiten makkelijk kunnen weerleggen aan de hand van getuigenissen, beeldmateriaal en reisonkosten. Telkens weer slikte Karskens zijn vroegere beschuldigingen in en kwam hij met nieuwe, vaak ging het daarbij om details.

Neen, niet het boek van Karskens heeft mij verbijsterd. Wel het gemak waarmee Raymond van den Boogaard in zijn interview met Karskens (Z 3 maart) onder de kop `De leugen smaakt beter dan de waarheid', de conclusies van Karskens overneemt en versterkt.

Van den Boogaard meent dat overtuigend is aangetoond dat ik tijdens de genocide nauwelijks in Rwanda ben geweest en, als ik er was, de luchthaven van Kigali niet heb verlaten. En verder dat ik mij partijdig zou hebben opgesteld voor de Tutsi's. Wie zich de moeite getroost om een en ander na te trekken – bij de BRT, bij de Volkskrant, bij AVRO-televisie – kan makkelijk bewijzen van het tegendeel vinden. Op de AVRO-televisie is op 14 juni 1994 zelfs een hele reportage getoond van mijn tocht door Noord-Rwanda tijdens de genocide. Je zou ook navraag kunnen doen bij verslaggevers die met mij destijds zijn opgetrokken, zoals Knack-journalist Chris De Stoop die op het hoogtepunt van de oorlog in mei 1994 met mij in het Meridien-hotel en het Amahoro-stadion in Kigali zat. Ondanks mijn Belgisch paspoort, op basis waarvan ik kon vermoord worden, en ondanks het feit dat ik geweigerd werd op VN-vliegtuigen en VN-konvooien heb ik voortdurend geprobeerd zo dicht mogelijk bij de slachtingen en de slachtoffers te komen.

Ook de bewering dat ik aanwijzingen van slachtpartijen in omgekeerde richting zou hebben genegeerd, is onzin. In mijn boek `De doden zijn niet dood' staan op blz. 66, 67, 116, 117, 228 en 229 dergelijke moordpartijen beschreven. Bijvoorbeeld: `Voor mij, op het terras, ligt een grote plas vers bloed. Een spoor leidt naar de bosjes, alsof iemand daar naartoe is gesleept. Als ik me omdraai, kijk ik in de ogen van de rebellen' (blz. 117). `Volgens een dorpsvrouw zijn meer dan honderd mensen omgebracht... Veel wijst erop dat RPF-soldaten op arbitraire wijze het recht in eigen hand nemen omdat zij vrezen dat de schuldigen hun straf zullen ontlopen' (blz. 228).

Desondanks kan ook Karskens niet ontkennen dat in 1994 een genocide plaatsvond tegen de Tutsi's en hun vermeende sympathisanten, de gematigde Hutu's, waarbij minstens een half miljoen onschuldige burgers zijn omgekomen. Journalisten die daarover verslag uitbrachten sympathie met de Tutsi's verwijten, is absurd. Niemand heeft ooit beweerd dat journalisten die de holocaust versloegen partijdig waren voor de joden.

Inderdaad, de leugen smaakt beter dan de waarheid.