Lieveling Montenegro is nu een lastpost

Montenegro was tot voor kort de lieveling van het Westen. Nu het zich van Servië (de nieuwe lieveling) wil losmaken, groeit in het Westen de wrevel en bestaat het gevaar dat Montenegro aan zijn lot wordt overgelaten.

,,We snappen heus wel: het Westen heeft Montenegro drie jaar lang niet financieel gesteund omdat het ons zo aardig vond, maar omdat we binnen Joegoslavië de belangrijkste oppositie tegen Miloševic vormden. We waren een eiland van verzet. Nu Miloševic is gevallen, schrijft het Westen ons de wet voor. Het zegt: Montenegro mag niet onafhankelijk worden, het moet zich aanpassen aan Servië, het moet binnen Joegoslavië blijven. Wel: het zàl niet binnen Joegoslavië blijven.''

De minister klinkt een beetje bitter en heel overtuigd. Hij wil niet met zijn naam in de krant, zegt hij, anders kan hij zijn hart niet luchten. En hij wil zijn hart graag luchten, want de Montenegrijnen voelen zich in hun streven naar onafhankelijkheid nu danig gefrustreerd door het Westen waarvoor ze zich steeds zo hebben ingespannen. ,,We zijn altijd pro-Europees geweest en dat heeft ons veel gekost: we leden jarenlang onder de internationale sancties tegen Joegoslavië èn onder de sancties van Miloševic tegen ons. Denkt u dat het makkelijk was solidair te blijven met de NAVO terwijl die NAVO ons bombardeerde?'' We zijn, zegt de minister, ,,altijd betrouwbaarder geweest dan huidige Servische leiders als [de Joegoslavische president] Koštunica die altijd op de NAVO hebben gescholden.'' Het Westen, vindt de minister in zijn kantoortje de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica, heeft aan het uiteenvallen van de vroegere Sovjet-Unie, het vroegere Tsjechoslowakije en het vroegere Joegoslavië 23 nieuwe landen overgehouden — ,,en wij zouden de enigen zijn die niet onafhankelijk mogen worden?''

Het Westers verzet tegen de Montenegrijnse onafhankelijkheid wordt ingegeven door twee motieven: nu Miloševic is gevallen heerst in Belgrado weer het fatsoen, en Montenegro — vindt het Westen — moet het met de nieuwe Servische leiding maar eens worden over samenwerking in de federatie; en bovendien kan Montenegro — eenderde van Nederland, met 650.000 inwoners en een enorm gebrek aan hulpbronnen — economisch niet op eigen benen staan. Niemand zit te wachten op een nieuw zwak staatje in de Balkan. Bovendien kan de onafhankelijkheid van Montenegro ook de Kosovo-Albanezen en de Bosnische Serviërs stimuleren in hun streven naar onafhankelijkheid. Vindt het Westen.

Voor Montenegro is dat Westers verzet niet zonder gevaren. Het kàn zonder hulp niet overleven, de Europese Unie betaalt eenderde van de Montenegrijnse begroting, de VS betalen het pensioenfonds. Als het Westen straks boos de geldkraan dichtdraait, is het gedaan met de Montenegrijnse economie. Bovendien: straks vloeien er uit het Westen miljarden naar Servië om de economie daar op te bouwen en blijft er voor het luttele Montenegro geen geld en geen aandacht over. Servië is de nieuwe lieveling van het Westen — Montenegro, voormalig lieveling, is nu eigenlijk steeds meer een lastpost.

Het Westen, zegt de minister in Podgorica, is Balkan-moe. ,,Ze vertrouwen ons niet op de Balkan. Ze denken dat we niet vreedzaam uiteen kunnen gaan, ze denken dat wij geen Tsjechen of Slowaken zijn. Het Westen wil het Balkan-dossier eigenlijk gewoon sluiten. Maar dat is een illusie: kijk naar Kosovo, Zuid-Servië, Macedonië, Bosnië, naar de problemen die Servië nog zal hebben in de overgang naar democratie en de markteconomie.'' Hij beklaagt ,,de dubbele standaard'' van het Westen: ,,Het kiest nu de kant van Servië, hoewel de mensen van Miloševic er nog overal aan de macht zijn, en het laakt ons opeens omdat onze democratie niet op orde zou zijn. Het zegt: jullie media zijn niet democratisch. Maar kijk in de kiosken: er liggen maar drie Montenegrijnse kranten, en tientallen Servische. Tachtig procent van de kranten die hier worden gelezen komt uit Servië.''

Toch denkt de minister niet dat het Westen straks, als Montenegro onafhankelijk is — zestig procent van de bevolking wil dat — deze stenige dreumes aan de Adria laat vallen. ,,Dat verzet is een standaardhouding. Tien jaar geleden zei het Westen tegen de Esten en de Slovenen ook dat ze niet onafhankelijk mochten worden, maar toen ze eenmaal op de andere oever waren werden ze geaccepteerd. Ze kunnen het niet tegenhouden. En er ís ook geen weg terug.''

Zelfs Servië zal de Montenegrijnse onafhankelijkheid uiteindelijk accepteren. ,,Ze zijn boos en beledigd, maar het zijn pragmatici en die benadering zal het winnen.'' Wat zou het niet prachtig zijn, droomt de minister voor zich heen, als Servië straks het eerste land zou zijn dat Montenegro erkent! ,,Dat zou getuigen van rijpheid, het zou het beste nieuws voor de hele regio zijn.''

Een buitenlandse diplomaat in Podgorica — ook hij wil niet worden genoemd — kan zich de gevoelens van de minister wel voorstellen. Hij prijst de vooruitgang die in Montenegro wordt geboekt bij de opbouw van nieuwe instituten en wil de grote problemen van het land niet op rekening van de Montenegrijnen zelf schrijven. ,,De smokkel- en maffianetwerken zijn geen Montenegrijnse zaak, maar maken deel uit van een Balkan-netwerk. Montenegro kan economisch niet op eigen benen staan, okee, maar kunnen Bosnië en Kosovo en Macedonië dat soms wel? Kan Albanië het? En kijk hoeveel geld er straks nog aan Servië moet worden besteed. Hier in Montenegro worden tenminste de mensenrechten geëerbiedigd. Hier hebben we een land dat — zonder ooit te klagen — tien procent van zijn bevolking aan vluchtelingen heeft opgenomen. Kun je één ander land noemen dat dat zonder morren doet? En de nieuwe staatsinstellingen hier werken even goed als in het Westen.''

Het Westen zal Montenegro niet laten vallen als het zich, tegen de zin van het Westen, van Servië losmaakt en onafhankelijk wordt, zegt de buitenlandse diplomaat. ,,Dat schept alleen maar nieuwe problemen. Dat bedreigt de stabiliteit.'' Montenegro, zegt hij, moet het met Servië eens worden over samenwerking, in welk verband dan ook, liefst vóór, desnoods nà de onafhankelijkheid, en het moet zorgen dat de Montenegrijnen die tegen de onafhankelijkheid zijn — veertig procent van de bevolking — geen problemen veroorzaken. ,,Die minderheid zal boos en teleurgesteld zijn, en veertig procent is erg veel.''

De problemen zijn gigantisch, erkent de diplomaat: de enorme grijze sector, de smokkel, de mafia, de corruptie, het gebrek aan werk, het onvermogen van de staat zijn eigen inkomen te creëeren, het gebrek aan democratische controle, het ontbreken van een goede politie- en douanedienst. Maar, zegt hij, ,,de goede wil is er, ze willen worden geholpen, ze vragen erom.'' De regering in Podgorica is volgens hem bij de opbouw van een democratisch Montenegro niet de dwarsligger. De dwarsligger is eerder het Westen: het is Balkan-moe en komt financieel en technisch niet over de brug. ,,Het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa werkt te langzaam. We zouden hier veel meer kunnen doen. We hebben een prachtig programma opgezet, mèt de regering, mèt de niet-gouvernementele organisaties, om de smokkel te bedwingen. Maar als we geen geld krijgen van het Stabiliteitspact gebeurt er niks. Dan gaat de smokkel door. En wie krijgt dan de schuld? Wij. Wij krijgen de schuld.''