Leger Indonesië zet president in Atjeh buitenspel

Het Indonesische leger heeft de rebellen in Atjeh de oorlog verklaard. Het eerste slachtoffer is president Abdurrahman Wahid, voorstander van verbroedering met de `separatisten'.

De Indonesische regering heeft deze week een ,,beperkte militaire operatie'' aangekondigd in de rebelse provincie Atjeh. Een dag eerder had het kabinet de Beweging Vrij Atjeh (GAM) bestempeld als een ,,separatistische beweging die aanstuurt op afscheiding van deze provincie van de eenheidsstaat Indonesië''. Drie dagen voor die kabinetsuitspraak had de Amerikaanse oliemaatschappij ExxonMobil de aardgaswinning in Atjeh om `veiligheidsredenen' gestaakt. De loop der gebeurtenissen van de afgelopen twee weken wekt de indruk dat de regering is gezwicht voor zware druk van de strijdkrachten en dat de Amerikaanse firma de generaals, bedoeld of onbedoeld, in de kaart heeft gespeeld.

Dat de regering de GAM nu officieel het predikaat `separatistisch' heeft meegegeven, lijkt een bevestiging van het onloochenbare, maar betekent een koerswijziging. Op 19 december zei president Wahid in de Baiturrahman-moskee van Banda Atjeh: ,,Ik vraag aan het hele regeringsapparaat: behandel uw volk niet als de vijand, maar als kameraad. Ook de GAM is niet de vijand, ook zij zijn onze broeders.''

De GAM werd in 1976 opgericht en proclameerde op 4 december van dat jaar de onafhankelijke islamitische staat Atjeh. Het Indonesische leger rekende in een felle campagne af met het guerrillalegertje van de GAM. Oprichter en `staatshoofd' Hasan di Tiro nam met een groepje getrouwen de wijk naar het buitenland. In 1989 stak de GAM opnieuw de kop op en verklaarde de regering-Soeharto Atjeh, gezien het belang van de rijke aardgasvelden, tot militair operatieterrein. Tot die status in 1998, na de val van Soeharto, werd ingetrokken, vielen door militaire excessen duizenden doden onder de Atjehse burgerbevolking. Het burgerlijk bestuur in de provincie bezweek onder militaire druk. Na terugtrekking van de gevechtstroepen in 1999 ontstond een machtsvacuüm in Atjeh. Dat werd opgevuld door de GAM, die inspeelde op de frustraties onder de Atjehers over tien jaar militaire repressie.

De regering volgde tegenover Atjeh een tweesporenbeleid: beperkte anti-guerrilla-operaties door de Mobiele Brigade (speciale politietroepen) en onderhandelingen. Onder bemiddeling van de Zwitserse Henri Dunant Stichting begonnen vorig jaar bij Davos besprekingen tussen Indonesische diplomaten en de GAM-leiding in ballingschap. Die resulteerden op 1 juni in een `humanitaire pauze', in feite een bestand dat niet zo heten mocht omdat de regering de GAM officieel niet erkent. Dit bestand is tweemaal verlengd, maar maakte geen einde aan het geweld. Vorig jaar vielen in Atjeh naar schatting 1.000 doden – politiemannen, guerrillastrijders en burgers – en dit jaar eiste het geweld al 200 slachtoffers.

De strijdkrachten (TNI) hadden grote bezwaren tegen de onderhandelingen in Zwitserland, die zij beschouwden als `internationalisering' van een binnenlandse kwestie, en hadden niets dan minachting voor het weinig effectieve optreden van de Mobiele Brigade. Op 1 maart vergaderden 95 landmachtgeneraals achter gesloten deuren in het legerhoofdkwartier in Jakarta. Chef-staf van de landmacht generaal Endriartono Sutarto zei na afloop: ,,Niet alle partijen zijn gereed voor de formele taakverdeling tussen strijdkrachten (defensie) en politie (binnenlandse veiligheid), maar dit mag niet als excuus dienen voor het offeren van het grotere belang.'' Het parlement zou een `overgangsregeling' moeten treffen, waarin de TNI meer vrijheid krijgt bij het waarborgen van de binnenlandse veiligheid.

Op 6 maart zei luitenant-generaal Ryamizard Ryacudu, commandant van het elitecorps Kostrad (strategische reserve), dat de militairen zorg zouden moeten dragen voor de veiligheidssituatie in Atjeh, omdat de politie niet getraind was om gewapende burgers aan te pakken. De generaal: ,,Niet alleen in Indonesië, maar in ieder ander land zou een gewapende bedreiging als die in Atjeh worden aangepakt door militairen, en niet door de politie.''

Twee dagen later drong een andere hoge officier uit het TNI-hoofdkwartier, de luitenant-generaal Djamari Chaniago, er bij de regering op aan duidelijkheid te verschaffen over ,,de positie van de GAM binnen het juridische kader van Indonesië''. Kostrad-commandant Ryacudu gaf alvast het antwoord: ,,De GAM is een staatsvijand die de kop ingedrukt dient te worden.'' Nog op vrijdag 9 maart zei burgerminister van Defensie Mahfud M.D.: ,,De regering geeft voorrang aan onderhandelingen bij de oplossing van het probleem in Atjeh. Een militaire operatie is natuurlijk een van de alternatieven. Maar die optie wordt pas gekozen als de gesprekken geen resultaat opleveren.'' De volgende dag staakte ExxonMobil de aardgaswinning in alledrie de velden van Atjeh ,,vanwege de onhoudbare veiligheidssituatie''. Op maandag 12 maart verklaarde het kabinet de GAM tot `separatistische beweging'. Woensdag liet legerleider Sutarto weten dat al geruime tijd `speciale troepen' worden opgeleid voor inzet in Atjeh. De scheidende Amerikaanse ambassadeur in Jakarta, Robert S. Gelbard, zei gisteren: ,,Het is niet juist dat dit militaire offensief begon vanwege ExxonMobil. Het was, denk ik, tevoren al gepland.''