JAREN VIJFTIG 3

In W&O van 3 maart spreken Kees Schuyt en Ed Taverne hun oordeel uit over de jaren vijftig: veel, zo niet de meeste sociale veranderingen die later duidelijker zichtbaar werden, zijn tot de naoorlogse periode te herleiden. Daarin hebben ze zonder meer gelijk. Die conclusie is ook niet opzienbarend. Het is een samenvatting van de resultaten van een flinke stapel onderzoek dat in de laatste tien, vijftien jaar door sociologen en historici is verricht naar, zoals het wel wordt genoemd, de `lange' jaren vijftig.

In het interview in W&O rekenen Schuyt en Taverne hun conclusie echter in één moeite door tot een oordeel over de jaren zestig. Dat roemruchte decennium zou niet veel hebben toegevoegd aan de al langer lopende veranderingen. Dat is nog maar de vraag. De veranderingen waar Schuyt en Taverne naar verwijzen, dragen over het algemeen een structureel karakter: de modernisering van de economie, de toenemende overheidsplanning, de inkomensgroei, de introductie van huishoudelijke apparatuur en de stijgende deelname aan het onderwijs. De culturele aanpassing aan die nieuwe omstandigheden liet echter langer op zich wachten. Dat gebeurde pas definitief in de jaren zestig, toen een nieuw `levensgevoel' uitdrukking vond in de opkomende popcultuur en popmuziek van de jeugd.

Structurele en culturele veranderingen lopen niet altijd in de pas. Die onevenwichtigheid tussen structuur en cultuur vormt een belangrijk kenmerk van de jaren vijftig, dat door Schuyt en Taverne al te snel en al te gemakkelijk opzij wordt geschoven. De popcultuur en de popmuziek articuleerden een levenshouding die de structurele veranderingen voor de betrokken jongeren leefbaar en hanteerbaar maakte. In dat opzicht waren – en zijn – het, ook in sociologisch en historisch opzicht, geen bijverschijnselen.