JAREN VIJFTIG 2

Gegrepen door het perspectief van de economische groei en ruimtelijke transformatie van Nederland tussen 1948 en 1973 geloven Kees Schuyt en Ed Taverne niet in de revolutie van de jaren zestig (`Die cruciale jaren vijftig', W&O, 3 maart). Onduidelijk is of zij begrepen hebben dat die revolutie meestal opgevat wordt als een sociaal-culturele aardverschuiving. Afgaande op het interview moet ik constateren dat hun argumenten enkel betrekking hebben op ontwikkelingen en `denkpatronen' in de economische sfeer, waarover Jan Luiten van Zanden met kennis van zaken geschreven heeft. De weinige cijfers en jaartallen die zij noemen, wijzen eerder op een sociaal-culturele omslag in de jaren zestig dan in de jaren vijftig. Zo noemen zij de toenemende onderwijsdeelname van de lagere klasse aan het hoger onderwijs vanaf 1958, de loonexplosie van 1962 en de wijziging van bezoekuren tussen 1965 en 1972.

Omdat de beleving van tijdgenoten die ik in `Terugblikken op het huiselijk leven' heb opgetekend, voor hen minder bewijskracht heeft dan structurele factoren, zal ik enkele verschuivingen noemen die desgewenst cijfermatig onderbouwd kunnen worden. De informalisering of intimisering van de omgangsstijl kwam eind jaren zestig op gang en brak in de jaren zeventig door: tutoyeren alom en in 1973 zelfs afschaffing van de groetplicht in het leger. Bij huwelijken werden kerkelijke scheidslijnen pas na 1965 massaal doorbroken. Blijkens enquêtes werden toen ook de normen aangepast, want in 1970 was nog maar 21 procent tegen gemengd huwen, terwijl dat in 1959 nog 60 procent was.

Het doorbreken van die scheidslijnen was het begin van een opmerkelijke marginalisering van kerk en godsdienst. De confessionele meerderheid maakte plaats voor een buitenkerkelijke meerderheid die lichamelijk welzijn vooropstelde en `sensorisch' genot niet meer met zonde associeerde. De pil maakte de `bevrijdende' ontkoppeling van seksualiteit en voortplanting mogelijk. Ontdaan van de driedubbele belasting van zonde, angst voor zwangerschap en economische afhankelijkheid, werd seksualiteit ook door vrouwen niet meer alleen gezien als `bindmiddel', maar ook als individueel genotmiddel.

De meest wezenlijke en verbazingwekkende aspecten van de sociaal-culturele revolutie tussen 1965 en 1973 lijken mij de geleidelijke marginalisering van kerk en godsdienst en de plotselinge gezagscrisis op alle fronten die verband hield met de snelle voltooiing van de verzorgingsstaat. De wettelijk verankerde verzorgingsarrangementen waren de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. Die druppel bleek een `zondvloed', waardoor Nederland omstreeks 1970 van een zeer conservatief in een zeer libertijns land veranderde. Die mentaliteitsomslag zou je een revolutie kunnen noemen.