Iedereen was er

Hoe groot de geestelijke nood in Nederland is, werd vorige week in één keer duidelijk, toen de aankomende sterren die door Veronica drie maanden in het Big Brother huis zijn opgesloten om het vak te leren, werden getrakteerd op zanger Lionel Richie. Lionel Richie? Dat is een zanger die meer dan tien jaar geleden vele hits scoorde en toen helemaal geeneen meer. Als je hem nu belt komt hij graag op je verjaardag optreden, maar presentator Gijs Staverman haalde hem uit een geblindeerde limousine alsof Elvis op aarde was teruggekeerd. Ook de bewoners van het huis, die nog in de crèche zaten toen de liedjes van Lionel al in de tipparade bleven steken, deden alsof ze een heuse internationale superster in hun midden hadden. De enige die er niet echt in leek te geloven, was Lionel zelf.

Terwijl de jongeren hun verlopen held koesterden, zaten de captains of industry, nou ja, wat daar in Nederland voor doorgaat, aan bij Bill Clinton. De Amerikaanse ex-president keek zorgelijk, want in zijn eigen land is zijn naam inmiddels van alle uitnodigingslijsten geschrapt, maar hier hadden de leden van de zakenelite er vijfentwintigduizend gulden voor over bij hem aan te schuiven. Clinton, een paar maanden na zijn aftreden al bijna de Lionel Richie van de Amerikaanse politiek, liet zich wat onwennig aflikken door Harry Mens en de zijnen. Dat was het mooie, zei Mens achteraf voor de camera, dat zo'n groot man met je sprak alsof het je buurman was. Hij straalde als een kind.

Ook de culturele elite werd afgelopen week van bovenaf aangeraakt. Nog maar nauwelijks bekomen van de artistieke blikseminslag die de Amerikaanse acteur en beeldend kunstenaar Dennis Hopper had veroorzaakt – een tentoonstelling in het Stedelijk Museum, interviews in alle kranten, uren op de televisie – stortte men zich op een literaire superster: Salman Rushdie. Voorafgaand aan het Boekenbal was alle schrijvers en critici van belang verzocht zich te melden voor een openbaar vraaggesprek met de Indiaas-Engelse schrijver, die tegenwoordig New York heeft omarmd. Iedereen was er, las ik in de krantenverslagen. ,,Er heerste een bepaalde opwinding die je inderdaad provinciaals zou mogen noemen,'' verklaarde Thomas Rosenboom achteraf fijntjes tegen een verslaggever van de Volkskrant. ,,Ik vond het applaus na afloop van het vraaggesprek nog een beetje flauwtjes. De eerbied had wat mij betreft nog wel groter mogen zijn.''

Dat Rushdie de Nederlandse boekhandels heeft opgezadeld met een roman die bepaald onaf aandoet, deed er niet toe. Dat die roman, ondanks alle stilistische brille, even hol is als een gelegenheidstoespraak van Bill Clinton of een schilderij van Dennis Hopper of een liedje van de zoveelste come-back cd van Lionel Richie, ook niet. De aanwezigheid van Rushdie, daar ging het om, met Padma Lakshmi aan zijn zijde. Van dat supermodel had hier nog nooit iemand gehoord, maar dat lag aan ons.

Zoveel klakkeloze dweepzucht bij elkaar roept argwaan op. Is het werkelijk provincialisme, zoals Rosenboom en anderen zeggen, dat volkomen gebrek aan eigenwaarde bij de Nederlandse elite wanneer een buitenlandse grote naam hier zijn restmateriaal komt dumpen? De tentoonstelling van Hopper, die roman van Rushdie, zouden al die gezag- en cultuurdragers die aan komen snellen wanneer ze een kurk uit een fles horen gaan, echt niet in de gaten hebben dat het telkens weer om de buitenlandse kleren van de keizer gaat? Is het ontzag werkelijk zo groot?

Het is erger, ben ik bang. In ieder zelfbewust land toont de elite – de zakelijke, de culturele en de politieke – zich modieus. Dat is een rol die van de elite wordt verwacht, achter het nieuwe aanhollen, voorgestuwd door de waan van de dag. Nieuwe schilders worden geknuffeld, aanstormende schrijvers gretig overschat, hypes nog verder opgeblazen. Dat is de taak van de elite, daar is niet echt iets mis mee, want het houdt een cultuur in beweging. Maar in Nederland is de onzekerheid zo groot, dat men niet eens modieus durft te zijn. Onze elite zoekt houvast bij has-beens, sterren die verbleken of nooit meer dan sterretjes zijn geweest. Waarom? Omdat het je ontslaat van iedere verantwoordelijkheid. Je kunt je rustig met een glas in je hand verschuilen achter de Grote Naam, die door anderen dan jezelf is groot gemaakt. En dat de glans van de meeste namen af is, maakt het er alleen maar gemakkelijker op.

Stel je voor dat Dennis Hopper een groot kunstenaar was geweest, dan zou je ook echt iets zinnigs over dat werk moeten zeggen. Dat Salman Rushdie zijn afnemende artistieke geloofwaardigheid compenseert met een maskerade als mediaster en als een vleesgeworden midlifecrisis op glitterfeesten verschijnt, stelt alleen maar gerust, want het ontslaat je van de verplichting nog een gedachte over literatuur te ontwikkelen. Al dat gespeelde ontzag voor Grote Buitenlandse Namen is niets anders dan een excuus om zelf niet met je billen bloot te hoeven. Iets wat zo duidelijk tweederangs is, kun je gerust aanbidden, je hoeft je er geen moment bedreigd door te voelen.

Het Nederlandse minderwaardigheidscomplex ten opzichte van al wat buitenlands is, lijkt me uiterst betrekkelijk. Een oprecht minderwaardigheidscomplex kan een enorme culturele stimulans zijn, kijk naar de Vlamingen. Daar is hier geen sprake van. Al dat blozende ontzag, al die dweepzucht, al die aangeschoten omhelzingen van die verschoten glamour uit Amerika, lijkt meer op gemakzucht dan op een werkelijk gevoelde aanbidding. Het maskeert een innerlijke verwarring, of is het een leegte, die veel schrikbarender is dan welk Calimero-gevoel dan ook.

Ontzag kost niets, in tegenstelling tot bewondering. De Nederlandse elite vindt zichzelf helemaal niet te klein in een grote wereld, ze is gewoon lui en laf. Te lui om werkelijk op zoek te gaan naar cultuur die er volgens haar toe doet, te laf om een poging te ondernemen onder woorden te brengen waarom dat zo is. Leve de waan van de vorige dag! Een elite die zijn nek niet durft uit te steken, die tref je aan in een rondvaartboot met John Irving en bij het dertiende afscheidsconcert van Tina Turner.

Take it away, Lionel.