Hoe politiek de macht aan de taxibranche gaf

Wat ging mis met de Amsterdamse taxi's? Het rapport-Koning schetst een sfeer van angst en halfslachtigheid.

Hij wilde het monopolie in de taxiwereld breken, vertelt P. Hoornweg. De senior beleidsmedewerker Verkeer en Vervoer van de gemeente Amsterdam realiseerde zich al snel dat hij tegen de bierkaai vocht. Er werden nauwelijks nieuwe taxivergunningen afgegeven en de gemeente vond dat prima.

Maar door de schaarste aan vergunningen liepen wel de prijzen torenhoog op. Er waren bovendien steeds meer aanwijzingen dat er dubieuze handel met die vergunningen plaatsvond. En ondertussen stonden op straat lange rijen mensen te wachten op een taxi.

Hoornweg vond het ,,belachelijk'', zegt hij tegen de commissie-Koning, die de Amsterdamse taxiwereld onder de loep nam. In het rapport Een gesloten huis van de commissie vertelt hij: ,,Ik zei het tegen mijn wethouder, maar op vergaderingen van het OLT AZAM [het openbaar lichaam dat de vergunningen uitgaf, red.] deed hij zijn mond niet open.''

Dat was begin jaren negentig. De jaren daarna ontstaat ook nog het besef dat de Taxicentrale Amsterdam (die later TCA ging heten) in feite de touwtjes in handen heeft. Terwijl eigenlijk OLT AZAM – enigszins controleerbaar omdat de politiek verantwoordelijken in het bestuur zitten – de vergunningen zou moeten uitgeven, besliste de facto de TCA. Zij konden een omzetgarantie en dus een fiat voor een vergunning afgeven.

,,Maffia worden gemaakt door bestuurders die hun handen omhoog doen en zeggen dat ze niks zien. En de taxiwereld is maffia'', zegt Hoornweg. Daarmee stelt hij in boude termen hetzelfde als de commissie-Koning. TCA nam de ruimte die de overheid hen gunde. De politiek was ,,halfslachtig'' en ,,afstandelijk'' en liet de problemen ontstaan: hoge prijzen omdat weinig tot geen vergunningen werden afgegeven, vage handel in die vergunningen en een ,,scheefgegroeide, omgekeerde situatie'' waarin niet de overheid, maar de monopolist TCA aan het roer stond.

Er waren genoeg signalen dat het fout zat, stelt de commissie. De bizar hoge prijzen bijvoorbeeld, bijna vijf keer zo hoog als in Rotterdam. Al in 1994 adviseerde de rijksoverheid het beleid om te gooien en meer vergunningen af te geven. Volgens TCA was dat niet nodig: capaciteit genoeg. ,,Veel te lang is [dat] aangenomen. Dat was duidelijk niet zo'', zegt J. Groot, de secretaris van het OLT AZAM.

Hard ingrijpen zou tot problemen leiden, realiseerden de politiek verantwoordelijken zich. ,,Men had liever geen herrie in de tent'', zegt Groot. Als duidelijk wordt dat de rijksoverheid de taxibranche wil dereguleren, waarschuwt de Chef Dienst Verkeerspolitie P. Martens voor verstoringen van de openbare orde. ,,Berichten uit de Amsterdamse taxiwereld dat men zich niet zonder slag of stoot bij de nieuwe regelgeving zal neerleggen, doen mij het ergste vrezen'', schrijft hij aan de minister. Of hier graag rekening mee gehouden kan worden.

Ook voor opeenvolgende wethouders is angst voor heibel met de taxichauffeurs een reden zich te verzetten tegen rigoreuze wijzigingen. Meer vergunningen betekent lagere prijzen, en dus boze chauffeurs die hun goodwill verloren zien gaan. ,,Wij wilden een zachte landing'', verklaart toenmalig wethouder E. Bakker (D66), nu burgemeester van Hilversum. ,,Ik verwachtte moeilijkheden als de liberalisering zou worden doorgezet.''

Maar bij zijn aantreden, medio jaren negentig, waren de problemen al duidelijk volgens de commissie-Koning. Ging bij Bakker geen lichtje branden? ,,Als ik toen had geweten wat iedereen nu weet, dan had ik alerter en agressiever geopereerd'', erkent hij.

Er kleefde nog een ander probleem aan het opengooien van de markt, zegt de huidige wethouder Köhler (GroenLinks). ,,We moesten bekijken of we geen schadeclaims zouden krijgen van chauffeurs die plots hun goodwill van een paar ton kwijt zouden zijn.'' En omdat Köhler ook geen ,,koude sanering'' van de branche wil, pleitte hij voor ,,geleidelijke deregulering''.

Of dat de machtige positie van de TCA had kunnen breken, wil Köhler nog niet kwijt. Het college van B en W reageert formeel pas over een paar weken op het rapport. Over de periode-Köhler, vanaf 1998, is de commissie overigens positief: vanaf dat moment zijn verbeteringen zichtbaar.

Köhler wil wel vast zeggen dat de commissie te weinig oog heeft voor de verantwoordelijkheden die de rijksoverheid droeg voor de ontstane problemen. Bijvoorbeeld de lucratieve handel in vergunningen. ,,Het was op de rand van de wet, maar het rijk stond het toe'', zegt hij. Maar dat geldt niet voor het restrictieve vergunningenbeleid, dat mocht Amsterdam zelf bepalen. Köhler: ,,Dat was inderdaad zijn doel voorbijgeschoten.''