Fryslân

Het stukje `De winter oer dit Fryslân' van Marita Mathijsen (W&O, 3 maart) wekt de suggestie dat het Fries als taal in de negentiende eeuw en later niet de omgangstaal in Friesland zou zijn, alleen kunstmatig door een elite gepropageerd. Als argument hanteert zij het reisverslag van Van Lennep en Hoogendorp uit 1823, dat niets over een taalprobleem meldt.

Wanneer in het jaar 2001 twee jonge Amerikanen een voettocht door Nederland maken zullen ook zij niets te melden hebben over een communicatieprobleem. Overal, tot in de verste uithoeken zullen ze in een soort Engels te woord worden gestaan, of het nu iemand is die ze de weg vragen en die een eind met hen meeloopt of de kastelein in een dorp in Twente. Twee Duitse wandelaars daarentegen zouden er wijs aan doen enige woorden Nederlands te leren alvorens op pad te gaan.

Als de boerengezinnen waar ik in de jaren veertig van de vorige eeuw te gast was, inderdaad een kunstmatige, hun door een elite opgedrongen taal hanteerden, lijkt mij dat een universitair onderzoek waard.