EIGEN TAAL

Het heeft mij altijd verbaasd dat kinderen uit Marokko de Arabische taal moesten leren, terwijl het merendeel (70%) van hen uit het Rifgebergte komt/kwam, waar een (ongeschreven) Berberse taal wordt gesproken, die net zo afwijkt van het Arabisch als het Nederlands van het Russisch. In plaats van een vreemde taal (Nederlands) moeten ze er twee leren. Ook de kinderen die uit het Koerdische gedeelte van Turkije komen, spreken een andere taal dan het Turks, hoewel dit verschil minder groot is.

Dat deze kinderen nog altijd uit de les worden gehaald voor de `eigen' taal is helemaal vreemd. Zij missen daardoor broodnodige lessen van het normale lesrooster. Als je een dag eerder met vakantie wilt dan de schoolvakantie begint, krijg je met moeite toestemming om je kind mee te nemen, maar de vele uren die migrantenkinderen missen door de lessen `eigen' taal worden niet geteld. Vreemd is het ook dat kennelijk alleen de Turkse en Marokkaanse kinderen lessen in `eigen' taal nodig hebben, die door de overheid worden bekostigd, terwijl bijvoorbeeld Chinese, Koreaanse, Ethiopische en Servische migrantenkinderen die lessen niet krijgen.

Al jaren weten we dat het onderwijsbeleid dat de achterstand moet aanpakken, tot nu toe weinig of geen resultaten heeft gehad. Wordt het na meer dan twintig jaar niet eens tijd voor een andere opzet? Als ouders het belangrijk vinden dat hun kinderen de taal uit het land van herkomst (van de ouders) leren, dan kunnen gemeenten daarop inspelen door het geven van subsidies, zoals ook Leo Prick voorstelt in zijn `Potten bakken' (W&O, 10 maart). Maar dat zou dan niet alleen moeten gelden voor Marokkaanse en Turkse kinderen.