Een teamspeler voor de achterban

Was hij een typische aanvaller of eerder een noeste verdediger? Zijn toenmalige elftalgenoten - academische maatjes in zijn Groningse tijd, begin jaren tachtig - zijn er nog altijd niet uit. Twee dingen waren wel heel duidelijk: hij was er altijd en hij speelde steevast met een grote inzet. Als voetballer manifesteerde Ruud Koole zich als een gedreven, zeg maar gerust fanatieke speler.

Met Ruud Koole krijgt de Partij van de Arbeid een voorzitter die voor alles een teamspeler wil zijn. De 47-jarige Leidse politicoloog kan worden gezien als een idealist, maar niet als een scherpslijper. Hij wil invloed teruggeven aan de achterban, maar hij stelt de professionals in Den Haag niet tegenover de leden in den lande. Liever denkt hij in samenwerking dan in confrontatie, zo gaf hij gisteravond op het partijcongres in Rotterdam te kennen in de toespraak waarmee hij het voorzitterschap aanvaardde.

Aan de sociale faculteit van de Universiteit Leiden bouwde Koole naam op als een constructieve bestuurder die bij reorganisaties en bezuinigingsrondes een scherp oog had voor de menselijke maat. En in de partij koesterden ze hem om zijn bindend talent: een gave die hem geschikt maakte om twee jaar geleden in Zuid-Holland het PvdA-programma voor de Provinciale Statenverkiezingen op te stellen. Hij gold lang als een actieve PvdA'er, maar meestal op de achtergrond, zoals in de `werkgroep partijprocessen' van het wetenschappelijk bureau, de Wiardi Beckmanstichting.

Met Ruud Koole heeft de PvdA een voorzitter die in sterke mate het prototype is van het huidige PvdA-lid. Want wie bevolken tegenwoordig in overwegende mate de rijen van de sociaal-democratie? Goed opgeleide middelbare mannen uit de middenklasse, zo legde de wetenschapper Koole vorig jaar bloot in een vergelijkend onderzoek naar de achterban van de vier grote partijen.

De wetenschapper Ruud Koole vestigde faam als kenner van het partijwezen. Hij publiceerde een standaardwerk over de moderne kaderpartij. En hij geldt als dé deskundige als het gaat om het vraagstuk van de overheidsfinanciering van politieke partijen.

Koole heeft als voorzitter een duidelijke boodschap: hij wil de partij teruggeven aan de leden, noem het een post-Rottenbergiaanse restauratie. Maar hij bedient zich niet van een wervende stijl. Koole geldt eerder als een enigszins saaie verschijning: wel degelijk, maar niet sprankelend.

Zijn studenten aan het `departement politieke wetenschappen' in Leiden lopen overigens met hem weg. Hij is er tot tweemaal toe gekozen tot `meest inspirerende docent' onder de politicologen. Koole weet zijn studenten te boeien met colleges, waarin de politicologie een historische dimensie krijgt.

De wetenscchapper Koole is gevormd in Groningen (geschiedenis) en Parijs (politieke wetenschappen). Hij was in Groningen directeur van het Nederlands Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, voordat de politicoloog Daalder hem naar Leiden haalde. Zijn wetenschappelijke loopbaan komt nu voorlopig tot stilstand. Waar hij met zijn Amsterdamse tandemgenoot Bouwe Olij dacht het wetenschappelijke werk nog parttime te kunnen voortzetten, is hij als fulltime partijvoorzitter gedwongen tot een zogeheten nul-contract.

Collega's in Leiden verbaasden zich eerder dat Koole zich beschikbaar stelde voor het voorzitterschap van de PvdA. Dat was toch `zeulen met een dood paard', zo hield men hem voor.

Nee, met zijn onverbeterlijke idealisme zei Koole te geloven in de toekomst van politieke partijen. Zoals hij de afgelopen jaren politieke partijen ook steevast verdedigde tegen kritiek als zou hun rol en hun betekenis gaandeweg verdwijnen.