DNA zorgt voor bewijs in lastige strafzaken

Wat zijn de gevolgen van de toepassing van DNA in strafzaken, en waar liggen de wettelijke grenzen van het gebruik van DNA? Over deze vragen houdt De Rode Hoed in Amsterdam maandagavond in samenwerking met NRC Handelsblad een discussie. Als voorproefje twee tegenover elkaar staande standpunten. I.A.H.M. Stijns-Schepers legt de nadruk op het overtuigend bewijs dat met DNA in moeilijke zaken kan worden verkregen. Th.A. de Roos meent dat grootscheepse bevordering van DNA-onderzoek tot justitiële dwalingen zal leiden.

DISCUSSIE www.nrc.nl

1. Waarheid komt boven tafel

Sinds 1994 is het mogelijk lichaamseigen materiaal te gebruiken ten behoeve van DNA-onderzoek in strafzaken in geval van delicten (bijvoorbeeld moord, verkrachting, doodslag) waarop acht jaar of meer gevangenisstraf staat. In het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel wordt de toepassing van DNA-onderzoek uitgebreid tot delicten met vier jaar of meer gevangenisstraf (bijvoorbeeld diefstal).

Het object van het DNA-onderzoek is in oorsprong levend celmateriaal, zoals dat onder meer wordt aangetroffen in bloed, sperma, wangslijm en haarwortels. Met behulp van celmateriaal kan de unieke DNA-structuur van een persoon worden vastgesteld. Op die wijze kan in moeilijke bewijskwesties de waarheid boven tafel komen en het overtuigend bewijs worden geleverd voor het vaststellen van de identiteit van de dader en de (on-)schuld van de verdachte.

Het belang van de waarheidsvinding vergt dat het DNA-onderzoek ook mogelijk moet zijn bij delicten waarop minder dan vier jaar gevangenisstraf staat, zoals dood door schuld, zwaar lichamelijk letsel door schuld, het toedienen van bedwelmende drank, bedreiging met een misdrijf of belaging. Bij het toepassen van DNA-onderzoek als massale opsporingsmethode gaat het om onopgeloste (zeer) ernstige levens- en zedendelicten. Hierbij kan de grens van acht jaar gevangenisstraf gehandhaafd blijven

2. Betrouwbaarheid onderzoek wordt steeds groter

De voortschrijdende techniek vergroot de betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek nog steeds. Het is een misvatting te denken dat het DNA-onderzoek in strafzaken wordt gebruikt voor genetisch onderzoek en dat andere niet-bevoegden (bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen) hierover zouden kunnen beschikken. Het forensisch onderzoek wordt slechts gebruikt om een verdachte te kunnen identificeren en is gericht op dat deel van het DNA dat niet codeert voor erfelijke eigenschappen.

3. Bij inbeslagname van achtergelaten materiaal wordt het lichaam niet aangetast.

Bij het toepassen van DNA-onderzoek speelt artikel 11 van de Grondwet, waarin het recht op onaantastbaarheid van het lichaam is gegarandeerd, een rol. Het celmateriaal wordt verkregen via biologisch sporenmateriaal (bijvoorbeeld huidschilfers, sperma en haren achtergelaten op de plaats van het delict) of via afname van lichaamseigen celmateriaal van het (dode) lichaam. Bij inbeslagname van achtergelaten lichaamsmateriaal wordt het lichaam niet aangetast. Het afnemen van celmateriaal van het lichaam is wel een aantasting van artikel 11 van de Grondwet.

4. Afnemen wangslijm kan wettelijk worden geregeld

De wetgever geeft bij het verkrijgen van celmateriaal van het lichaam de voorkeur aan het afnemen van wangslijm uit de mondholte. Net als het nemen van een vingerafdruk voor identificatie is het afnemen van wangslijm een lichte aantasting van de lichamelijke integriteit. Het ligt dan ook in de rede de voorwaarden voor toepassing van vergelijkbare aantastingen op eenzelfde wettelijk niveau te regelen.

Ook het toepassen van DNA-onderzoek als massale opsporingstechniek moet wettelijk worden geregeld. Op grond van de Wegenverkeerswet 1994 kan de verkeersdeelnemer, niet zijnde verdachte, toch ook worden onderworpen aan alcoholcontroles, waarbij lichte aantastingen van de lichamelijke integriteit plaatshebben?

5. Waarborgen mogelijk tegen misbruik van gegevens

Een ander grondrecht dat bij het toepassen van DNA-onderzoek relevant is, is het recht op de persoonlijke levenssfeer, gegarandeerd in artikel 10 van de Grondwet. Het opslaan van DNA-gegevens heeft, net als het opslaan en registreren van vingerafdrukken en persoonsgegevens, privacy-aspecten. De wetgever heeft tot taak te zorgen dat alle verzamelde en geregistreerde DNA-profielen zorgvuldig worden bewaard en geregistreerd. Om malversatie van DNA-gegevens tegen te gaan, is het wenselijk dit, net als in Groot-Brittannië, strafbaar te stellen. Bovendien kan, zoals in de Wegenverkeerswet 1994, het onzorgvuldig uitvoeren en registreren van het onderzoek tot bewijsuitsluiting leiden. Zo kunnen voldoende waarborgen worden gecreëerd om het misbruiken van DNA-gegevens tegen te gaan.

Sommigen voeren het privacy-aspect als argument aan om de uitbreiding van wettelijke mogelijkheden te verwerpen. Het zij duidelijk dat ook bij het niet uitbreiden een zorgvuldige registratie en bewaring van DNA-profielen geboden is!

Het opslaan van DNA-profielen in de DNA-databank van ex-delinquenten kan wettelijk geregeld worden. Deze registratie zal de gemiddelde calculerende delinquent weerhouden te recidiveren. Mocht de ex-delinquent toch recidiveren dan kan de registratie bijdragen aan een voortvarende opheldering van het delict.

Mr. I.A.H.M. Stijns-Schepers is universitair docente strafrecht Katholieke Universiteit Nijmegen.