De vreemdeling verleid(t)

Met het thema `Tussen twee culturen' klinkt tijdens deze boekenweek opnieuw de vraag hoe multiculti Nederland eigenlijk is. Socioloog/dichter Shervin Nekuee, geboren in Iran, vindt dat nieuwkomers en inwoners van Nederland elkaar moeten verleiden in plaats elkaar na te apen of te cultiveren.

Kijk'', zei mijn broer wijzend naar de Nederlandse voorbijgangers, ,,ze lopen anders.'' Zij liepen rechtop, wij gebogen. Want wij stammen af van een bergvolk. Veertienhonderd jaar geleden is de familie van mijn vader uit een woestijnstad, Mekka, gevlucht. Vluchtmotief: angst voor vervolging wegens religieuze overtuiging.

Mijn vaders familie behoorde tot Ali's aanhang, een minderheidsgroep in Arabië. Zijn vluchtbestemming was de paradijselijke kust van de Kaspische zee. Om daar te komen moesten ze het hoge Elborz-gebergte leren beklimmen. De bergen lieten hen wel toe, maar pas toen ze hun rug voor het indrukwekkende landschap leerden te buigen. Sindsdien lopen wij net zoals alle bergvolkeren gebogen. Dit staat in het stamboek van mijn vader.

Mijn moeder had geen stamboek. De orale traditie voert de boventoon in de regio waar ze vandaan komt in Klein-Azië: Azerbajdzjan. Haar voorouders waren handelaren in Baku. Haar grootvader was een avonturier die geen genoegen nam met het geld van zijn vader. Af en toe, in het grillige landschap tussen Armenië en Azerbajdzjan, roofde hij paarden van voorbijreizende karavaans. Maar toen kwamen de Bolsjewieken en was er geen plek meer voor een wilde geest in Baku. Hij vluchtte naar Iran.

De twee vluchtelingenkleinkinderen, mijn moeder en vader, ontmoetten elkaar in Teheran, werden verliefd, gingen trouwen, en kregen twee kinderen. Dat zijn wij, mijn broer en ik. De een – mijn broer – is gevlucht voor de tirannie van Mullahs en de ander volgde zijn sporen. Hij woont in Londen, ik aan de kust ertegenover – in Rotterdam.

Geen wonder dat mijn academische leermeesters zich vaak zorgen maken over mijn overmaat aan betrokkenheid bij het multiculturele vraagstuk. `Te veel betrokkenheid kleurt jouw analyse', waarschuwen ze. Ik knoop het in mijn oor, zet mijn sociologenbril op en bekijk het debat over culturele diversiteit nog eens. En ik geef toe – de alom gewaardeerde academische distantie is niet aan mij besteed. Mijn hart heeft een eigen geheime agenda, zoekt een eigen pad – hoe moet ik hier overleven op deze vreemde grond? Wat de socioloog analytisch wil duiden, probeert de dichter intuïtief te doorstaan, door een levenshouding te scheppen. En zo eindigt een academische zoektocht in een levenslied.

Mijn onrustige ziel zou op deze bodem voor heel lang, generaties lang misschien, zijn vluchtneigingen kunnen bedwingen. En Nederland zou in mij een nieuw thuisgevoel kunnen ontdekken. Maar voor het zover is moeten de Hollander en ik elkaar eerst durven te verleiden en die verleiding durven ondergaan. Onze culturele verschillen zullen dan niet meer een bron van angst zijn, maar wierook zijn die het liefdesritueel omhult. Zij vormen het verzet dat betekenis geeft aan het spel en een mythische glans geeft aan de hartstocht. Maar het verleiden als levensstrategie om met twee culturen te leven is dezer dagen nauwelijks aan de orde in het debat. Welke andere dan wel?

Cultuur en culturele verschillen spelen een prominente rol in het debat over de ander. Twee kampen zijn er te onderscheiden. Aan de ene kant heb je de assimilationisten, die vinden dat het voor alle betrokkenen, maar vooral voor de ander, het beste is als iedereen zich zo snel mogelijk de Nederlandse cultuur eigen maakt. Aan de Nederlandse samenleving de plicht om de eigen normen zo expliciet mogelijk aan de nieuwkomer ten toon te spreiden, zodat die weet waaraan hij zich moet aanpassen. Voorvechters van deze opvatting zijn socioloog Paul Scheffer en ook Paul Schnabel, voorzitter van het Sociaal Cultureel Planbureau.

Tegenover deze assimilationisten staan zij die ik cultuurfederalisten noem. De schrijfster Philomena Essed is er een voorbeeld van. Zij zien de verschillende culturen bij voorkeur als collectieve en op zichzelf staande eenheden. Iedere cultuur zijn eigen plek, rechten en faciliteiten. De meest radicalen binnen dit kamp zien racisme en discriminatie als onlosmakelijke onderdelen van elke staat die van oorsprong een monocultuur is. Alles – kunst, argumentatie, wetgeving en de instituties – is door en door etnocentrisch zolang niet in alle lagen van de samenleving de multiculturaliteit zijn plek heeft. Met andere woorden: er moet met verschillende maten worden gemeten – positieve discriminatie noemt men dit – om uit cultuurverschillen ontstane ongelijkheden recht te zetten.

In het beleid van staatssecretaris Rick van der Ploeg (Cultuur) zien de cultuurfederalisten in zekere zin hun droom verwezenlijkt. Vooral daar waar hij geld opzij zet om expliciet etnische doelgroepen te bereiken, zoals via het toneelgezelschap Cosmic.

Hoe dan ook, beide kampen houden ons een erg statisch concept van cultuur voor. Alsof de Nederlandse cultuur een dichtgemetseld gebouw is met blinde ramen. Treed je naar binnen, dan ben je afgesloten van alles wat je achterlaat. Kies je er voor om buiten te blijven, dan valt er niet veel anders te doen dan je eigen tent er naast te zetten. Ofwel je wordt opgeslokt door de Nederlandse cultuur, ofwel je maakt op vreemde grond een miniatuur van je eigen cultuur en je houdt alles wat Nederlands is buiten de deur.

In dit of-of-denken ontbreekt elke fantasie. Het getuigt ook niet van veel besef van deze tijd. Wie toegang heeft tot internet, e-mail, satelliet-tv, fax en telefoon, en in de gelegenheid is om de wereld te bereizen, die kan niets met zulke dwangmatige keurslijven. We leven in de tijd van meervoudige en hybride identiteiten. Cultuur is steeds meer een conversatie en minder een vastgelegde tekst. In het gesprek met elkaar komen we tot nieuwe inzichten en stellen we onze stijlen bij. In elkaars woorden en formuleringen ontdekken we de vele manieren die er bestaan om de schoonheid van het leven te benoemen en het ontroerende en wonderbaarlijke van de wereld om ons heen te benoemen.

Wie in deze oneindige conversatie een rol van betekenis wil spelen moet wel kunnen verleiden. In het ritueel van verleiding geeft niemand het initiatief uit handen; nieuwsgierigheid en elegantie zetten de toon, geen van beide levert zich uit aan de ander, de eigenwaarde en het zelfrespect blijven intact. De verleider wil het hart stelen, niet het hoofd. Het ritueel laat zich niet in markttermen vangen – het is geen formule van vraag en aanbod of altruïstisch welzijnswerk.

Wie tot een minderheid hoort is in dit spel de rest altijd een stap vooruit, want hij trekt sneller de aandacht, hij valt sneller op. Maar hij moet ook extra doordacht en gedurfd te werk gaan. Doordacht, omdat zijn signalen gauw verkeerd kunnen worden verstaan. Gedurfd, omdat hij zich, door als verleider op te treden, losmaakt van het veilige hokje van het slachtofferschap, waar minderheden zich te vaak in laten wegdrukken.

De ander als verleider is alles behalve een assimilationist. Hij verliest zich niet in de tegenpartij. Hij aapt niet na. Originaliteit is zijn charme, afwijken zijn troef. De verleider moet er ook niks van hebben om braaf in zijn eigen (culturele) hokje met rust gelaten te worden. Geliefd wil hij zijn, en lief wil hij hebben. Daarom heeft hij ook oog voor de schoonheid van de tegenpartij. Hij wil de gevoelige snaren ontdekken en bloost van opwinding wanneer hij oog in oog staat met de mysteries van het onbekende. Hij laat zich niet overmeesteren door de dominante denkbeelden van zijn nieuwe landgenoten, maar droomt ook niet van meesterschap. Speels, aantrekkend en afstotend wil hij innige vriendschap sluiten met zijn nieuwe thuishaven en haar inwoners.

Voor mij is Hakim Traïdia, speler van Sesamstraat, een mooi voorbeeld van de ander als verleider. Afgelopen jaar, tijdens een debat over kunst voor kinderen in Zaal de Unie te Rotterdam, zei hij triomfantelijk tegen de volwassenen: ,,Ik heb een plek veroverd in het hart van jullie kinderen en dus ook bij jullie thuis.'' Hij had er graag aan toegevoegd – dat zag ik aan de speelse blik in zijn ogen: ,,En daar kunnen jullie mooi niks tegen doen.''

Een ander voortreffelijk verleider is Kader Abdolah. Wijzend op het door D66-fractievoorzitter Thom De Graaf ingezette debat over de monarchie, afgelopen jaar, wendde hij zich tot de koningin en zei hij, met de woorden van de oude vos in een Perzische legende: ,,Majesteit, hij is een koe en U kunt hem opeten.'' (de Volkskrant, 17 april 2000)

Of neem de Neder-Turkse cabaretière Nilgün Yerli die ons op al haar leed en vreugde trakteert in haar shows. Shows die meer luiken openen dan alleen Turkse, shows waarin de Hollander, de Surinamer, de Turk en al die anderen voortdurend op de hak worden genomen. Haar ontwapenende humor en presentatie verleidden de doorgaans kritische journalist Herman Vuijsje er toe een honingzoet interview te schrijven dat vorige week in deze bijlage werd afgedrukt. Zijn ode aan Yerli weet van geen ophouden – `superenthousiast', `positief', `ideale schoondochter'. Vuijsje heeft het goed te pakken.

Ook dichter bij huis, in Delfshaven-Rotterdam, kom ik steeds meer migranten tegen die durven te verleiden en de verleiding ondergaan. Een Koerdische buurman die een Hollandse blondine met strijdliederen uit Koerdistan aan het dansen krijgt. Stoere Marokkaanse jongens uit de buurt die zich door de juf over laten halen om de kerstboom te versieren en pico bello uitgedost aanzitten aan het kerstdiner van school. De meiden met de hoofddoekjes die flirten met Nederlandse jongens en met hun strakke broeken het hoofd van elke voorbijganger op hol brengen.

Salman Rushdie schreef dit jaar het boekenweekgeschenk Woede. Het gaat over schrijven tussen twee culturen. Wat ben ik blij dat juist hij dat doet. Hij schreef Christofel Colombus en Koningin Isabella van Spanje consumeren hun relatie (Oost, West, 1994). Daarin komt de ander als verleider het beste uit de verf.

Dat blijkt wel uit de volgende passage. We leven in het jaar 1429. Columbus is in Spanje gearriveerd. Hij wil van koningin Isabella schepen en bemanning voor zijn wereldreis, en hij wil meer. De burgerij is ongerust:

– `Die verschrikkelijke buitenlanders! Het lef! 'Consummatie', toe maar! En haar dan maand na maand op de voet volgen, alsof hij een kans maakte. Zijn ordinaire epistels, zijn valse serenades onder haar openslaande ramen, die ze dan dicht moet laten, waardoor de koele bries wordt buitengesloten. Ze had wel iets beters te doen, een wereld te veroveren en zo voort, wie dacht hij wel dat hij was?'

– `Buitenlanders kunnen doordrammen. En kunnen ook, door taalproblemen, doof zijn voor een wenk. Van de andere kant moeten we niet vergeten dat het de rigueur is om er een paar buitenlanders op na te houden. Ze geven het geheel een kosmopolitisch tintje. Ze zijn vaak arm en dus bereid om diverse noodzakelijke maar vuile werkjes op te knappen. Bovendien behoeden ze je voor zelfgenoegzaamheid, want hun bestaan in ons midden herinnert eraan dat er oorden zijn waar we (al valt dat nog zo moeilijk te aanvaarden) zelf als buitenlanders worden beschouwd.'

– `Maar om zo tegen de koningin te spreken!'

– `Vreemdelingen vergeten hun plaats (want die hebben ze achtergelaten). Allengs gaan ze zich als onze gelijken zien. Het is een onvermijdelijk risico. Ze introduceren in onze eenvoud hun Italiaanse verlokkingen. Geeft niet: doe alsof je niets hoort, kijk de andere kant op. Ze bedoelen het meestal goed en gaan slechts zelden te ver. De koningin kan heus voor zichzelf zorgen.'

Hoe het afliep weten we allemaal. Columbus kreeg zijn schepen en de bemanning, en hij kreeg nog meer van Isabella gedaan...

De versmelting werd een feit.