Conservatieven ontberen geestelijk fundament

Er is niets tegen een zekere mate van deugdzaamheid, maar als ultieme toetssteen voor politiek handelen is het riskant. Het gevaar zelf niet aan die norm te kunnen voldoen blijkt in de praktijk namelijk nogal groot, meent Thomas von der Dunk.

Het hoort tot de onvermijdelijke bijkomstigheden van de moderne samenleving: de periodiek weerkerende oproep tot een moreel reveil. Paars gaat misschien slagen, waar Den Uyl mislukte: met de schepping van een aparte conservatieve beweging. Ditmaal is het de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging, die daartoe met enige anderen het voortouw genomen heeft, en zich daarbij zelfs met de Veluwe verenigd heeft om de verloedering van de samenleving met alle kracht te keren. Conservatieven aller sekten, verenigt U! In die strijd tegen vies en voos wordt ook de steun van het Reformatorisch Dagblad niet geschuwd, en zo vinden wij in hun gezelschap blijkens een recent groepsinterview in HP/De Tijd ook een verslaggever uit de kuisheidsgordel die dwars door Nederland van Tholen naar Rijssen loopt.

Voor sommigen van Kinnegings naaste discipelen komt dit alles tevens neer op een hoogst individueel afscheid van het Kwaad, en juist zulke bekeerde zondaren doen het bij de calvinistische orthodoxie, waar Paulus vanouds in hoger aanzien dan Pilatus staat, altijd goed. Zo blijkt zijn ex-student Joshua Livestro zijn aanvankelijke opvatting dat het levensgeluk in een glas bier zou schuilen te hebben herzien, terwijl de jurist René van Wissen na langdurige postmoderne ledigheid heeft ontdekt dat hij altijd al in clichés had gedacht, zodat hij nu gaat vechten tegen de achterkant van zijn vroegere gelijk.

Hun grote held heet derhalve niet meer Buch maar Bush, en teneinde zich niet meer voor het lezen van een roman te hoeven schamen, hebben zij een nieuw geestelijk houvast gezocht. Ofschoon deze na een jaar of wat plotseling doorgebroken aandrang om zinvol bezig te zijn natuurlijk nooit te veel geprezen kan worden, is het persoonlijke hier wel erg politiek geworden, zodat eenieder die tijdens zijn vlegeljaren beter het evenwicht tussen biertent, bordeel en boekwinkel heeft weten te bewaren, zich toch niet aan de indruk kan onttrekken dat deze nieuwste inzichten vooral het product zijn van verlaat berouw inzake een eigen postpuberaal karaktertekort.

Het is uiteraard interessant om te vernemen wat zij ons zoal te bieden hebben. Vooral orde in de chaos, zo blijkt, voorts een vleugje met de nodige trots gebrachte politieke incorrectheid, veel welgemanierde kuise deugdzaamheid, en natuurlijk het onvermijdelijke gezin. Wat duizenden jaren als de absolute norm heeft bestaan, zo heet het, heeft op grond daarvan reeds zijn nut bewezen, en andere relatievormen zijn daarmee principieel ondeugdelijk. Moge deze opvatting voor de traditionele christelijken met hun bijbels handvat op de Waarheid vanzelfsprekend wezen, van oneindige kennis getuigt zij niet.

Polygamie, bijvoorbeeld, komt en kwam in tal van culturen voor, zoals ook de seksuele oriëntatie op het eigen geslacht bij mens en dier een veel frequenter verschijnsel vormt dan Zwarte-Kousen-predikanten in de nacht van zaterdag op zondag willen weten. Ook bij de antieke goden op de Olympus – toch niet de minsten onder ons – deed iedereen het ooit met iedereen. Zelfs een vluchtige doorname van het Oude Testament leert overigens al het één en ander over de veelwijverij van de oude Israëlieten, en noch de verhouding tussen koning David en Jonatan, noch die tussen Jezus en zijn meest jeugdige apostel was, als wij althans – en dat moeten wij van de bijbelsen nu juist – afgaan op de overgeleverde teksten, geheel vrij van homo-erotische trekken. Dat alles hadden Rafael en Michelangelo al vijf eeuwen geleden goed begrepen, en de gereformeerden hebben er vanuit hun perspectief dan ook inderdaad verstandig aan gedaan om elke menselijke afbeelding radicaal uit hun godshuizen te bannen.

Het op wederzijdse genegenheid en trouw gebaseerde huwelijk is nog maar amper twee eeuwen oud. Daarvoor was een echtverbintenis in Europa veelal niet meer dan een zakelijke overeenkomst, waarbij allereerst familiebelangen veiliggesteld en tevens de voortplanting geregeld moest worden, waarvoor in hogere kringen daarnaast tevens rijkelijk van maîtressen gebruik kon worden gemaakt, terwijl andersom de Russische tsarin Elisabeth daartoe anno 1750 op haar meer wellustige momenten een stalknecht nam.

De hele adellijke huwelijkspolitiek, inclusief die van de Oranjes tot en met de koppeling van Juliana aan Bernhard in 1937, had eeuwenlang weinig met zeden uit te staan, en alles met aanzien, conventies en macht. De seksuele spanning zocht menig koning derhalve dan bij voorkeur niet in het eigen echtelijk bed, en ook dat ging voor onze vorige prins-gemaal nog keurig op. Opgroeien deed men evenmin per definitie in het `klassieke' huisgezin; kostschool, klooster en kazerne – aan gene zijde van de Rijssenlinie favoriete instellingen op vormingsgebied – speelden hier bij de opvoeding van het aankomende geslacht een even grote rol als moeder de vrouw bij de theemuts thuis.

Wie dus aan het traditionele huwelijk een tijdloze waarde wil toekennen moet van betere huize komen, en dat geldt eveneens voor de erotische veelvormigheid als zodanig, waartegen nu zo daadkrachtig stellingname wordt verlangd. De overheid is evenwel geen oordelaar over de lusten. Het doet daarbij vreemd aan ook Kinneging in dit kamp der klagers aan te treffen, waar hij zich tegelijk sterk op de filosofie van de Grieken en Romeinen beroept.

Nu valt over beide volkeren ongetwijfeld veel lelijks te zeggen, maar van de verkrampte preutsheid die sedert de dagen van Augustinus als een almaar voortwoekerend bederf de cultuur van het Avondland binnengeslopen is, had men in de Oudheid niet zoveel last, en tal van de – bij onze op tucht en orde hamerende conservatieven zo hoog in aanzien staande – Helleense wijsgeren waren in hun meer vleselijke ogenblikken praktiserend pederast. Dat kan nog interessant worden, als straks samen met de ChristenUnie een canon van conservatieve voorvaderen opgesteld moet worden.

Het maakt in elk geval nieuwsgierig naar het beloofde Conservatief Manifest, omdat volstrekt niet duidelijk is of we in de beste SGP-tradities een doortimmerd betoog over God, Vaderland en Oranje mogen verwachten, dan wel een bloemlezing uit Cicero en Seneca met een integrale overname van de belangrijkste passages uit Plato's Staat. Wat wordt van deze nieuwe beweging het positieve geestelijk fundament, indien zij meer wil worden dan een vergaarbak voor geschrokken behoudzuchtigen, meer ook dan een grote kuisheidscoalitie waarin hoofdzakelijk, zoals indertijd bij de Gay Games in het Reformatorisch Dagblad, een beetje nagejammerd wordt over voze nichten?

Interessant wordt dat manifest beslist ook indien daarin inderdaad de Deugd als hèt beslissende nieuwe politieke principe wordt opgevoerd. Nu is er natuurlijk niets tegen een zekere mate van deugdzaamheid, maar als ultieme toetssteen voor politiek handelen lijkt het mij wat riskant. Het gevaar privé zelf niet aan die norm te kunnen voldoen blijkt in de praktijk namelijk nogal groot. John Major deed er in 1996 aangaande de fameuze family values dan ook met reden het zwijgen toe, nadat elke maand een nieuwe fractiegenoot met een secretaresse of schandknaap tussen de lakens werd aangetroffen in standjes die niet aan het Groot Etiquetteboek van Amy Groskamp-ten Have waren ontleend. Ook voor hun Nederlandse geestverwanten lijkt mij enige voorzichtigheid raadzaam, gezien de frequente affaires met wethouders en onderwijzers uit streng-gereformeerde kring. Wanneer men dus straks voor de nieuwe conservatieve beweging een voorman zoekt, kan men beter wel vooraf de zekerheid hebben, dat de uitverkorene inderdaad ook zo saai is als hij zich moet voordoen.

Het is daarbij de vraag, of het hier wel zo'n typisch conservatief ideaal betreft. Het is veeleer een nieuwe versie van een typische verlichtingsutopie, die tijdens de Franse Revolutie zelfs tot officieel regeringsbeleid werd verheven, en als blauwdruk voor de menselijke perfectie de directe pendant vormde voor de door Kinneging tegelijk gehekelde blauwdruk voor een perfect ingerichte maatschappij. Echte conservatieven huldigen immers een veel pessimistischer mensbeeld, leggen meer de nadruk op de onverbeterlijkheid van de mens, en voor de ware calvinisten is deze dan ook sinds de Zondeval tot alle Kwaad geneigd.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus. Dit is de achtste bijdrage in een serie over het conservatisme. Eerdere artikelen verschenen op 3,10,17,24 februari en 3,8 en 10 maart.