Boekenweek

Het is in mijn ogen voor een dagblad geen goed idee een stuk een jaar lang te laten liggen. Gedurende zo'n jaar kunnen zich immers veranderingen voordoen in feiten, omstandigheden en zelfs in meningen. In april 2000 belde uw redactie mij om mij naar mijn mening te vragen over de functionele kwaliteiten van Henk Kraima, de directeur van de CPNB. Enkele van de citaten uit dat vraaggesprek kwamen terecht in het profiel van Kraima dat u pas nu, op maandag 12 maart 2001, plaatste. In de tussentijd hebt u mij niet meer gevraagd of ik bij mijn toentertijd uitgesproken mening bleef. Dat is niet netjes.

En het is jammer, want ik heb mijn visie op Kraima danig moeten bijstellen na het lezen van het Boekenweekgeschenk 2001. Een jaar geleden hield ik hem voor een gemakzuchtig mens, die bij de keuze van een auteur voor het Boekenweekgeschenk zijn oren uitsluitend liet hangen naar de commercie. Hij had er jarenlang blijk van gegeven louter gemakkelijk toegankelijke middle of the road literatuur als Boekenweekgeschenk te verkiezen: dunne, lichte boekjes, die noch literair, noch intellectueel veel om het lijf hadden. Hij suste het grote publiek met een slap koekje.

Maar in 2001 blijkt hij zijn leven fundamenteel te hebben gebeterd: met Woede van Salman Rushdie trotseert hij niet alleen de traditionele zuinigheid van het hele boekenvak, hij bruuskeert ook de gemakzuchtige smaak van grote aantallen lezers. Woede is veel dikker en dus ook veel duurder dan enig eerder Boekenweekgeschenk – en toch krijgen wij het om niet. Over wie dat moet betalen heeft Kraima zich terecht niet bekommerd. Het is bovendien zoveel moeilijker toegankelijk dan de Boekenweekgeschenken van eerdere auteurs dat hij er vermoedelijk hooguit 5.000 lezers van de ruim 700.000 die het deze en komende week cadeau krijgen een plezier mee doet.

Dat is groots en moedig en het noopt mij alle onaardige opmerkingen die ik een jaar geleden over hem maakte terug te nemen: hoed af, met een grote zwaai.