BABY'S VAN ACHT MAANDEN HEBBEN NOG EEN ABSOLUUT GEHOOR

Kinderen van acht maanden maken bij de herkenning van muzikale patronen gebruik van `absoluut gehoor'. Volwassenen maken bij dezelfde herkenningstest veel vaker gebruik van de relatieve verhoudingen tussen de tonen. Kennelijk is het absolute gehoor (waarbij iemand de toonhoogte van een toon kan determineren zonder referentie aan een àndere toon, `oh, dit is een fis') bij jonge kinderen nog dominant, maar verdwijnt dat vermogen later in de ontwikkeling, bij de meeste mensen tenminste. Volgens de betrokken onderzoekers (Jenny Saffran en Gregory Griepentrog van het Waisman Center van de Universiteit van Wisconsin-Madison) is dit verdwijnen begrijpelijk, omdat in muziek en spraak relatieve herkenning veel nuttiger is dan absoluut gehoor (Developmental Psychology, januari).

In een experiment van Saffran en Griepentrog werden 8 maanden oude baby's eerst gewend aan een aantal `toonwoorden' (betrekkelijk willekeurige toonvolgorden). Vervolgens kregen de kindjes deze `woorden' opnieuw te horen samen met ander toonwoorden èn woorden die alleen in toonhoogte van de bekende woorden verschilden (met dus wel dezelfde intervallen). De baby's toonden veel aandacht voor de woorden die alleen iets in toonhoogte verschilden van de bekende woorden. Deze al bekende woorden interesseerden hen weinig. De onderzoekers concluderen hieruit dat voor de baby's een verschil in toonhoogte een geheel nieuwe `situatie' schept. Kennelijk kunnen ze dat soort verschillen uitstekend waarnemen.

Hetzelfde experiment werd vervolgens herhaald bij volwassenen, muzikanten en niet-muzikanten. De niet-muzikanten scoorden heel slecht: ze hoorden geen verschil tussen de bekende woorden en de nieuwe woorden met dezelfde intervallen maar met een andere toonhoogte. De muzikanten hoorden dat vaak wel, maar lang niet zo goed als de baby`s. Het `kinderlijke' absolute gehoor is weg. Maar als volwassenen muzikaal goed getraind zijn, gaat het absolute gehoor (dat volgens Saffran en Griepentrog in neurale `rekenlast' veel simpeler is dan het relatieve gehoor) kennelijk niet helemaal verloren.

Een klein aantal mensen, vaak musici, heeft het vermogen zelfs volledig behouden, zo is bekend. Maar ook bij anderen blijft het vermogen sluimerend bestaan. Uit andere experimenten is bekend dat ook muzikaal ongetrainden bijvoorbeeld vrij goed de juiste toonhoogte van populaire melodieën kunnen kiezen die ze kort daarvoor heel vaak zo hebben gehoord.

De onderzoekers vergelijken het verdwijnen van het kinderlijke absolute gehoor met het verdwijnen van het vermogen van baby's om onderscheid te maken tussen allerlei klinkers en medeklinkers. Als ze eenmaal hun moedertaal gaan leren, vanaf een maand of tien, beperkt zich dat onderscheidingsvermogen tot de klanken die in die taal gebruikelijk zijn (zodat dus volwassen Japanners het verschil tussen l en r slecht kunnen horen).