Xaviera zegende mij

NEW YORK/SILS-MARIA. Het is moeilijk te zeggen waar onthechting ophoudt en sadisme begint. Xaviera Hollander was in New York. Ze wilde me graag ontmoeten, ik stelde voor er een lunch van te maken.

In elk diner zit de belofte van de coïtus verborgen. Een lunch belooft nooit meer dan een avondeten of een volgende lunch, misschien in een uitzonderlijk geval high tea.

Haar boek over haar moeder was af. Ze zocht een agent in Amerika, en ze at geen vis, sinds ze ooit bijna in een graat was gestikt.

Ik stel het op prijs als mensen hun agenda open en bloot op tafel leggen. Sommige mensen hebben geen agenda, ze willen iets, maar ze weten niet wat, en ze hopen dat jij ze zal vertellen wat ze moeten willen. Een ondankbare taak.

Ze vond dat ik volwassener was geworden sinds de laatste keer, dat was drie jaar geleden. ,,Gelukkig'', voegde ze eraan toe. Toen vroeg ze: ,,Waar val je op? Toch niet op zeventienjarige huppelkutjes?''

Ik zoek zelden confrontatie, ja misschien als ik schrijf. Niet in het echt, in de werkelijkheid heb ik geen mening. Ik schort mijn oordelen op om mensen niet van hun apropos te brengen.

Xaviera gebruikte veel jiddische woorden. Sentiment houd ik graag op afstand, sentiment en jodendom is een combinatie waar ik helemaal niet goed van word. Ik stel tederheid op prijs, maar zonder sentiment graag.

,,Je moet een paar mensen ontmoeten'', zei Xaviera.

Ontmoeten is nooit het probleem geweest.

Daarom verscheen ik, op Xaviera's uitnodiging, een paar avonden later op een feest van de fotograaf Andre Serrano.

Xaviera stelde mij voor aan een oudere dame met snor die mensen met zweep en andere hulpmiddelen bijbracht wat beschaving is. In een ver verleden was ze een vrome jodin geweest, ook het atheïsme had ze achter zich gelaten. Nu geloofde ze in geesten. En dat alles goed zou komen.

Tot voor kort dacht ik dat toekomst iets is waarvan je verlost moet worden. Dan merk je: je hoeft niet meer verlost te worden van de toekomst, want hij is er al. Onopgemerkt binnengereden als een tafel in de suite van een hotel. Een wit tafellaken, koffie, chocolademelk, twee eieren, een roos in het midden en dat alles op wieltjes, zo ziet de toekomst er uit als je gelooft in geesten.

Xaviera zei dat ze mij graag aan haar slavinnetje had willen voorstellen, maar die was verhinderd.

Ook mij werden nog tijdens het feest een paar slaven aangeboden. Helaas kon ik op dit aanbod niet ingaan, aangezien ik de volgende dag op reis ging. Hoe graag ik ook met een slaaf of slavin op reis was gegaan, mijn budget liet het niet toe. Bovendien weet ik niet of zo'n slaaf op de kamer kan slapen of dat je geacht wordt ergens buiten een stal en wat hooi voor hem te vinden.

Verder liepen er nog een paar mensen rond die bezig waren dood te gaan. Doodgaan kan tegenwoordig ook een carrière zijn, vooral als het in het openbaar gebeurt.

Een man gaf me zijn visitekaartje. Hij leidde een project waardoor verslaafden aan schone naalden kunnen komen. Toen hij hoorde dat ik schreef, zei hij dat ik hem moest uitnodigen op mijn volgende boekpresentatie. Dat was onbedoelde humor.

Hij bedoelde dat het handig was dat ik hem kende.

Beneden in de kelder hingen naast vele Christussen foto's van Serrano. Mij leken die foto's vooral te zeggen dat het sublimeren van lust tijdverspilling is. Wat de filosofie van de huidige middenklasse aardig samenvat.

De kunstenaar is stout, omdat kunstenaars denken dat stout zijn bij hun kunst hoort als een stropdas bij een verzekeringsagent.

Ik werd aan een andere mevrouw voorgesteld. Haar borsten waren drie keer vergroot. Ook zij brachten mannen met de zweep de definitie van beschaving bij. Zij vond het niet handig dat ze mij kende, daarom duurde het gesprek minder dan vijf seconden.

Xaviera zegende mij en zei: ,,Nu heb je mijn sfeertje gezien.''

,,Ga in het Engels schrijven'', riep ze me na. Ik dacht aan de 17 miljoen exemplaren die van haar beroemdste boek verkocht waren. Het was mijn beurt om haar te zegenen.

Twee dagen later probeerde ik van St. Moritz naar Sils-Maria te lopen waar Nietzsche heeft gewoond en waar ook een klein Nietzsche-museum is. Langlaufers haalden mij in. Velen schenen er plezier aan te beleven rakelings langs mij heen te scheren, terwijl er toch ruimte genoeg was.

Ik doe niet aan langlaufen, ik loop over de piste in dezelfde kleding die ik ook in New York draag, want dat gaat prima. Langlaufen vind ik typisch een bezigheid voor de slaaf of slavin. De slavin langlauft, ik kijk vol tederheid toe.

Een paar keer zakte ik tot mijn middel in de sneeuw. Al snel leerde ik mijn gewicht beter te verdelen.

Halverwege, bij Silvaplana, moest ik opgeven. De sneeuwstorm was heviger geworden. In een tent kocht ik een kop rozebottelthee. Een groep wintersporters staarde mij wantrouwend aan.

Ik bevestigde hun normen noch hun waarden.

Normen dat zijn de namen van de verschillende modeontwerpers, en waarde dat is de prijs die je voor het kledingstuk hebt betaald.

Ik liep over de piste alsof de piste het verlengde was van Madison Avenue.

Wat ook zo is: als je Madison Avenue afloopt, kom je vanzelf op de piste bij St. Moritz terecht.

Met het openbaar vervoer bereikte in het Nietzsche-museum.

Het ging pas om drie uur open.

In een Konditorei wachtte ik op de opening.

Er was in dertig jaar niet zoveel sneeuw gevallen.

Niet alleen Nietzsche, ook Thomas Mann, Anne Frank, Max Frisch, Paul Celan, Adorno en Nabokov waren in Sils-Maria geweest.

Om tien over drie bekijk ik de eenvoudige houten tafel waarop Nietzsche zijn Zarathustra heeft geschreven.

Twee dames in skipakken hebben meer geduld voor het meubilair dan ik.

Ik neem mijn intrek in het Waldhaus.

's Avonds zoek ik de tafel die bij mijn kamernummer hoort. Het is lang zoeken, het Waldhaus is groot en vol.

Ik zit naast een uitgebreide, beschaafde Duitse familie.

Tijdens het eten bespioneer ik de familie. Ik vind alle Duitse vrouwen aantrekkelijk.

De zoon van de eigenaar komt vragen of alles naar wens is. Terwijl ik met hem een kort, vriendelijk gesprek voer, besef ik: hulpeloosheid is de beste verleidingstechniek. De suggestie dat achter dit masker van kilte niets dan hulpeloosheid schuilgaat. Ik bewerk de rug van de ander met mijn hulpeloosheid. Deze gedachten zijn opgewekt door de tanden van de zoon van de eigenaar van het Waldhaus.

Na het dessert speelt er een strijkje in de bar. Ik bekijk de dansers en moet denken aan de woorden van Xaviera Hollander: ,,Als je de kut van een tachtigjarige wast, kaalscheert en insmeert met baby-olie, dan is die weer als nieuw.''

Ik besluit tot een avondwandeling. Voor de poort van het Nietzsche-huis keer ik om.

Soms zie ik tijdens een gesprek een schaduw over het gezicht van de ander trekken en ik zie hem denken: hij is echt gek.

Een fractie van een seconde zie ik de angst op zijn gezicht. Daarna komt het nooit meer goed.

Ik moet angst in stand houden. het is mijn brood, ik leef van angst.

Ik ben niet gek, ik ben berekenend.

De terugtocht naar het Waldhaus valt zwaar. Ik glijd een paar keer uit.

Een roman over een seriemoordenaar heeft mij nooit aangetrokken. In leven laten is wreder.

De zoon van de eigenaar ziet mij het hotel binnenkomen. Hij wil de sneeuw van mijn kleren kloppen.

,,In de zomer kun je van hier naar Italië lopen'', zegt hij.

Zijn hand bewerkt mijn rug.

Ik nestel mij weer in de bar naast het strijkje en bekijk de mensen die ik in leven zal laten.

Wat zijn ze mooi, als ik ze in leven laat