Vinger aan de pols

OP GEZETTE TIJDEN heeft in Den Haag een merkwaardig ritueel plaats. Het heet: bespreking van de geannoteerde agenda voor de JBZ-raad. De afkorting staat voor de vergadering van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de Europese Unie. Weinig ontsnapt de aandacht van de Nederlandse parlementariërs. Dat begint al met de kwaliteit van de vertaling van documenten, hun late toezending of vertrouwelijkheid. Altijd goed voor een klacht. Vervolgens wordt de omvangrijke agenda met zijn A- en B-punten en vele bijlagen minutieus uitgeplozen.

Het is voorstelbaar dat het gemillimeter minister Korthals (Justitie) wel eens te veel wordt. Maar het is onverstandig dat hij de jongste JBZ-raad in Brussel heeft aangegrepen om te pleiten voor beperking van de mogelijkheid van het parlement hem in dit soort bijeenkomsten voorbehouden op te leggen. Als ervaren oud-parlementariër weet hij als geen ander waar de Haagse vinger aan de pols vandaan komt: Schengen, het verdrag voor een gezamenlijke vrije ruimte binnen Europa.

Dat project riep serieuze vragen op over de controleerbaarheid van de bijbehorende grensoverschrijdende politieactiviteiten. Schengen is nu ondergebracht bij de Europese Unie, maar de vragen zijn gebleven. Voortdurend doemt er weer een handigheidje op om de werkingssfeer van Europol uit te breiden. Serieuze rechterlijke controle is nog ver te zoeken. Alle reden voor een volksvertegenwoordiging bij de les te blijven.

HET NEDERLANDSE parlement lijkt onder de lidstaten van de Europese Unie het enige te zijn dat deze les zo serieus neemt. Wat wil men dan? In Frankrijk wist destijds de minister van Binnenlandse Zaken niet dat zijn collega van Buitenlandse Zaken het Schengenakkoord had getekend en werd het parlement er pas opmerkzaam op gemaakt door een senator wiens nieuwsgierigheid was geprikkeld door een obscure passage in een begrotingsstuk.

Dat het Nederlandse parlement zelfs een voorbehoud oplegt omdat de raadsdocumenten niet volledig zijn, lijkt pietluttig. Maar Europa wordt geregeerd door papieren met fraaie opschriften als ,,gemeenschappelijke actie'' of zelfs het onschuldige: ,,non paper''. Het zou niet de eerste keer zijn wanneer onder zo'n neutrale aanduiding wordt geprobeerd een nieuwe beperking van de burgerlijke vrijheid binnen te smokkelen.

Korthals heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat de verhouding tussen Europees en nationaal strafrecht wat hem betreft ,,een nieuwe wending'' heeft genomen. Maar dat is geen reden het parlement te knevelen, zoals hij nu bepleit, veeleer voor dat parlement een aansporing om de bewindsman op het matje te roepen. Wat verbeeldt hij zich eigenlijk wel.