Verschoten kleuren van een verre oorlog

Sinds de jaren tachtig roepen historici op tot een genuanceerder beeld van de bezettingsjaren in Nederland. Zwart en wit worden nu in een lijvige studie verruild voor grijstinten. Maar over welke oorlog gaat het? Analyse van een schimmengevecht tegen een allang gekanteld geschiedbeeld.

Een vrouw die de Tweede Wereldoorlog als meisje meemaakte, vertelde in deze krant eens over haar eerste herinnering uit die tijd: haar moeder die alle flessen drank door de gootsteen spoelt. De Duitsers waren in aantocht en wat wordt een binnenrukkend leger geacht te doen? Plunderen, brandschatten, zich bezatten en de vrouwen verkrachten. Haar tweede herinnering: de nuchtere vaststelling dat de Duitse soldaten zich in de meidagen van 1940 keurig gedragen.

Kijk nu naar een willekeurige film over de Tweede Wereldoorlog en de gestaalhelmde ariërs hollen door het beeld, Los! Los! Schnell! schreeuwend en ondertussen trappen uitdelend met die harde laarzen van ze.

`Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van de oorlog', zo formuleert de historicus Chris van der Heijden het verschil. `De oorlog was erg, maar het verhaal maakte de oorlog nog erger.' Het zijn de eerste twee zinnen van Van der Heijdens Grijs verleden en we mogen ze opvatten als het program voor zijn werk.

Wie de oorlog gemaakt heeft, dat weten we wel. Maar wie heeft er dat verhaal van gemaakt? En waarom? Over het `wie' laat Van der Heijden meteen in zijn voorwoord geen misverstand bestaan. Dat is bovenal prof.dr. L. de Jong geweest, schrijver van het standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. `Waar Lou de Jong helden en schoften, heldere lijnen en strakke ontwikkelingen waarneemt, zie ik vooral wanorde', schrijft Van der Heijden. `Ik heb tijdens het schrijven vaak verzucht: had De Jong maar gelijk, het zou de wereld zoveel simpeler (en dit boek zoveel eenvoudiger) maken.'

De schrijver van Grijs verleden probeert twee dingen. Hij wil laten zien dat de ervaring van de laatste, harde oorlogsjaren, de realiteit van de eerste oorlogsjaren heeft overschaduwd in het geschiedbeeld. Daarin overtuigt hij ook. De vele, verfrissende statistieken en dagboekcitaten die Van der Heijden hiervoor gebruikt, hebben kracht van bewijs: voor de meeste Nederlanders waren de jaren '40/'41 relatief normale, in sommige opzichten zelfs bétere jaren dan die direct voor de oorlog – al vergeet Van der Heijden te vaak dit voor sommigen, joden en niet-joden, beslist niet gold.

Maar Van der Heijden laat het daar niet bij. Hij ziet de overschaduwing van het beeld van de oorlog door de latere bezettingsjaren niet als een spontane ontwikkeling, aangezien de meest extreme gebeurtenissen nu eenmaal achteraf voorrang nemen in het geheugen. Volgens hem is het versimpelde geschiedbeeld een constructie, een uitvinding, en hij vraagt zich af waarom die zo succesvol is gebleken. Want dát is zeker waar. Vijftig jaar na dato wordt uitermate simplistisch over de oorlog gedacht, méér dan direct na de bevrijding. Veel van die simpele verhalen komen tegenwoordig uit Amerika. Auteurs als Daniel Jonah Goldhagen (Hitlers gewillige beulen, 1996) of recenter Edwin Black met IBM and the Holocaust vechten de oorlog nog eens uit. Maar ook in Nederland anno 2001 levert de Tweede Wereldoorlog nog bijna wekelijks nieuws op en verlopen recente discussies zoals die over het vertrek van koningin Wilhelmina naar Engeland of over de affaire-Aantjes helemaal in termen van `goed' en `fout'. Al is het wel opmerkelijk dat `goed' en `fout' in de laatste zaak gaandeweg van plaats zijn verwisseld, waardoor De Jong het etiket `fout' heeft overgenomen van Aantjes.

Ondanks pleidooien in de jaren tachtig van historici als Hans Blom en Jan Bank om het perspectief op de oorlog te verbreden, blijkt het goed/fout-schema hardnekkig. Dat bewijst het succes van een boek als Om erger te voorkomen (1997) van Nanda van der Zee. Haar centrale bewering dat koningin Wilhelmina door haar vlucht naar Engelandmedeverantwoordelijk werd voor het wrange succes van de jodenvervolgingen in Nederland, is door vakgenoten aan mootjes gehakt. Toch is zij inmiddels in de media een veelgevraagde deskundige geworden.

Het onderzoek van Van der Heijden naar het hoe en waarom van dat gestolde geschiedbeeld is dus interessant en legitiem. De vraag is: slaagt hij erin een bevredigend aantwoord te geven? Weet hij de oorlog in het collectieve geheugen te nuanceren, te `vergrijzen', en tegelijk degenen te ontmaskeren die `schuldig' zijn aan het gestolde beeld? Nauwelijks. En daar zijn drie redenen voor: van stilistische, methodische en analytische aard.

Door het hele boek ondersteunt Van der Heijden zijn beweringen om te beginnen met armoedige retoriek. Het `ongelooflijk' en `onvoorstelbaar' vliegt je om de oren. Het is ongelooflijk, moet de lezer kennelijk vragen, dus die Seyss-Inquart was eigenlijk een `gevoelig, gelovig en intelligent man'! Jazeker, antwoordt de auteur dan: `Het lijkt onvoorstelbaar dat een schone-handenbeul als Seyss-Inquart over zoiets als gevoel zou kunnen beschikken. Toch was dat zo. Seyss-Inquart was zelfs een bijzonder `gevoelig' mens.' Maar op elke plaats waar je zou willen weten: wie hééft dat beeld dan, waar kan ik dat nalezen, laat Van der Heijden je in het ongewisse. Dan is het hooguit `men', of `historici', of `na de oorlog'.

Een voorkeur voor ongegeneerde zelffelicitatie zit ook in de zojuist aangehaalde verzuchting over de noodzaak om De Jong aan te vallen. Alsof hij de eerste is die dit waagstukje uithaalt. Terwijl de `Geschiedschrijver des Rijks' – de scheldnaam kreeg De Jong in de jaren zeventig van journalist Jan Rogier – al jarenlang de nationale boksbal voor aanstormende historici is.

Kern van dit boek, verantwoordt Van der Heijden zijn methode, is `het cruciale verschil tussen de invalshoek van Lou de Jong – en tallozen in zijn voetspoor – en die van een klein, maar groeiend aantal onderzoekers met wie ik me verbonden voel. Dat verschil betreft het mensbeeld.' De mens is niet goed of fout, niet zwart of wit, de mens is zwak, de mens is grijs.

Het gaat Van der Heijden in die bepaling van grijstinten voornamelijk om de psychologie. Lees zijn oordeel over de krachtsverhoudingen tussen Nederland en Duitsland in mei 1940. Voorop staat dat `het Nederlandse leger tegen de Duitsers nooit een schijn van kans' maakte. `Misschien niet eens zozeer vanwege de getalssterkte en het materieel (wat dat betreft waren de Duitsers ontegenzeggelijk de meerdere) maar vanwege het moreel.' Het kon ook haast niet anders, aldus Van der Heijden. `De Nederlanders waren gewend aan overleg en compromissen.' De Duitsers daarentegen `waren buitengewoon gemotiveerd' en `bereid voor Kultur te sterven'. Dit is massapsychologie van de koude grond, en niet minder zwart-wit toch dan De Jong.

Meer werk maakt Van der Heijden van de individuele psychologie. Hier treedt de historicus op zachte bodem. Soms zijn enkele zinnen uit dagboeken voor hem al voldoende om de mentaliteit van de schrijver te kunnen duiden, die hij vervolgens extrapoleert naar de mentaliteit van de gehele bevolking. Vooral de drie hoofdstukken 'k Dobber en blijf drijven, Fout en foutjes, Verzet en verzetjes – de titels verraden veel van het tut-tut-tutperspectief van de schrijver – gaan van lange halen snel thuis. Als iemand een week na de capitulatie schrijft: `Op zichzelf kan het me weinig schelen of het nu Wilhelmina of Adolf heet, en of het lijntje nu hier of daar loopt. Wel blijft de kwestie natuurlijk: hoe zal het nu verder gaan? Onze geestelijke vrijheid was ondanks het schandalige misbruik (R.K. Geitenfokvereniging en de 101 politieke partijen die stromen tijd verknoeiden) toch wel wat waard', dan vindt Van der Heijden dat een ernstige vorm van `aanpassing'. Schrijft een trotse vader: `Hou zee, hier ben ik, Anton Adolf, Benito Jansen, een jonge Germaan, zoon van kam.[eraad] Jansen en kamske Jansen-Pieterse, 13 Sprokkelmaand 1943', dan sust Van der Heijden: `Veel verder zal de collaboratie van deze familie vermoedelijk niet gegaan zijn.'

Zoals De Jong te veel licht zette op Wilhelmina en het verzet, en de vijand te zeer in de schaduw stelde, zo buigt vergrijzer Van der Heijden de uitersten soms te sterk naar elkaar toe. Maak je de `witte' Wilhelmina `grijs' door te zeggen dat ze `stuitend zuinig' was? Wordt de `zwarte' Seyss-Inquart lichter door de lezer `zijn voorliefde voor bergen en muziek' in overweging te geven?

Bijna ridicuul wordt het als Van der Heijden de opwelling beschrijft waarin de latere dichters Lucebert en Hans Andreus zich naar de Meldungsstelle voor het Nederlands Vrijwilligerslegioen begaven. Andreus meldde zich wel aan, Lucebert deed het toch maar niet en `vandaar', zegt Van der Heijden, `dat Lucebert nooit het etiket `fout' opgeplakt heeft gekregen.' De historicus vindt het maar oneerlijk, want `toch was er tussen de mentaliteit van de vrienden nauwelijks of geen verschil'.

Voor zijn `grijze' mensbeeld zoekt Van der Heijden steun bij Abel Herzberg, de rechtsfilosoof die na de oorlog uitermate genuanceerd over de jodenvervolging schreef. Over Herzberg merkte de historica Conny Kristel in haar boek Geschiedschrijving als opdracht (1998) op: `Zijn geloof in en nadruk op de continuïteit en onveranderlijkheid van de joodse geschiedenis geeft blijk van een essentialistische visie en staat als zodanig op gespannen voet met de taak van een professionele historicus het verleden te contextualiseren.' Een looiige volzin, maar wel op een interessante manier van toepassing op Van der Heijden. Ook hij lijkt met zijn mensbeeld soms meer last te hebben van de historische context dan dat hij die gebruiken kan.

Een voorbeeld is de reeds genoemde overtocht van Wilhelmina naar Engeland. Van der Heijden geeft veel voorbeelden van de woede en verbittering onder de bevolking over Wilhelmina's vlucht. `Pas later', schrijft hij, `en dankzij flink wat overtuiging – om niet te zeggen `propaganda' – door Londen, Oranjegezinde politici en het verzet kwam er verandering in dit oordeel.' Om dit te staven citeert hij een illegaal gedrukt gedicht: `Neen, het was geen vlucht, die U deed gaan/ Maar volgen, waar God riep.' Omdat het gedicht op 31 augustus is gedateerd, concludeert hij: `Minstens zo lang duurde het dus tot men besefte dat Wilhelmina weleens verstandig gehandeld zou kunnen hebben.'

Nog los van de vraag of Nederlanders door een illegaal (en in welke omvang?) verspreid geschrift ineens zouden hebben ingezien dat ze Wilhelmina verkeerd beoordeelden, laat Van der Heijden voor het gemak eerdere uitingen van Oranjegezindheid weg. Om de bekendste maar te noemen: Anjerdag, 29 juni 1940, toen veel Nederlanders een anjer in hun knoopsgat staken om de verjaardag van prins Bernhard te vieren.

Nog duidelijker blijkt Van der Heijdens problematische verhouding tot de geschiedenis als wetenschap in een vraaggesprek met deze krant (3 maart). Hij zegt daarin over de jodenvervolging: ,,We hadden allemaal bij de gaskamers kunnen staan, zowel aan de ene als aan de andere kant van de deur.'' Wie dat beweert, moet zichzelf geen historicus noemen maar psycholoog. Iedereen kan beul zijn, is een gratuite opmerking. En dat iedereen slachtoffer kan zijn, een a-historische: aan de verkeerde kant, de binnenkant, konden zich geen anderen bevinden dat zij die door de Duitse ambtenaren daarvoor waren geselecteerd. Het kan best zijn dat Hans Andreus en andere Nederlanders die de kant van de bezetters kozen, geen `fascistoïde inborst' hadden, maar dat betekent niet dat zij in díe periode van de geschiedenis, op díe plaats in de wereld evenveel kans maakten om vergast te worden als een willekeurige jood. Conny Kristel zou zeggen: Contextualiseren svp.

Maar Van der Heijden contextualiseert waar het hem uitkomt. Hij is namelijk gebrand op iets anders. Niet op de rehabilitatie van `foute' Nederlanders, dat zou een verkeerde interpretatie zijn van het `grijs' in de titel. Van der Heijden wil aantonen dat `goed' en `fout' niet zozeer producten zijn van de historische werkelijkheid, maar dat de `meedogenloze streep' ertussen een doelbewuste uitvinding is. Waarom worden mensen die aan de ene kant van de streep stonden doorgaans wit en de andere zwart afgeschilderd? En wanneer is die meedogenloze streep getrokken?

Van der Heijden geeft op verschillende plaatsen verschillende antwoorden. Als individuen komen De Jong en Jacques Presser steeds weer aan bod. De Jong wordt in dit verband door Van der Heijden de `Londense propagandist' genoemd, een verwijzing naar zijn positie bij Radio Oranje, de zender die de spreekbuis was van de uitgeweken regering. In Londen is volgens Van der Heijden het beeld ontstaan dat `door verzetskringen overgenomen werd en door genoemd instituut jarenlang hooggehouden is' – daarmee bedoelt hij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, tegenwoordig NIOD) dat De Jong decennia domineerde. Het aldus gefabriceerde beeld was functioneel voor de naoorlogse samenleving, voor haar verwerking van de oorlog en voor haar houding ten aanzien van de toekomst. `De nationale mythe van een onbuigzaam volk' was nu eenmaal een prettiger oorlogsverhaal om na te vertellen dan de nuchtere, de Herzbergiaanse stelling dat elke mens tot grote wreedheid in staat is. Doordat De Jong na de oorlog de `verzetjes' oppoetste tot Verzet met een hoofdletter, konden de Nederlanders zichzelf weer recht in de ogen kijken.

Of het nu aan De Jong valt toe te schrijven of niet, het is zeker waar dat tot diep in de jaren zestig het Nederlandse beeld van de oorlog samenvalt met het Nationaal Monument op de Dam, een eerbetoon aan de moed van het Nederlandse volk. Maar daarna maakt Van der Heijden het zichzelf moeilijk. Want als het beeld in de loop van de oorlog in Londen is gefabriceerd met de bedoeling de naoorlogse democratie een vaste norm van goed en fout te geven, waarom duurt het dan tot halverwege de jaren zestig (als De Jong en Presser hun werken publiceren) voordat het bij de goegemeente wordt bezorgd?

Je zou op dat moment eigenlijk het omgekeerde verwachten van wat Grijs verleden betoogt. De tijden zijn veranderd, de eerste na-oorlogse generaties zijn kritisch en anti-autoritair. Je zou denken dat die niet zitten te wachten op een simplistisch betoog van `schoolmeester' De Jong. Maar volgens Van der Heijden is de tijd nu pas goed rijp voor het goed/fout-denken.

Hier gaat zijn betoog twee kanten op. Hij wijst enerzijds op het Eichmann-proces, toen de eerste beschuldigende stemmen opgingen tegen de lakse Nederlandse houding tijdens de jodenvervolging. Je zou zeggen: dit is de opmaat voor een belangrijke nuancering van het geschiedbeeld. Nederland was niet het land van het Verzet, maar het land van `de burgerij die alles toeliet'.

Maar Van der Heijden houdt vast aan zijn doelwit De Jong. Dus moet hij nu de kritische geest van de jaren zestig verbinden met de publicaties van De Jong en Presser en met het langzaam doordringende besef wat er eigenlijk met de joden in de oorlog is gebeurd. Het lijkt ondoenlijk, maar Van der Heijden schrijft het gewoon precies zo op: `Daarmee grepen oorlogsgeschiedschrijving, sjoa en jaren-zestigmentaliteit in elkaar. Het is deze combinatie die de Tweede Wereldoorlog tot een gebeurtenis maakte die de feiten ontstijgt: een mythe.'

Zo kronkelt de redenering onder zijn handen vandaan. Want door in zijn voorwoord te stellen dat het verhaal van De Jong is ontwikkeld om `het geestelijk fundament' te vormen `van de hedendaagse democratie in Nederland en heel het Westen' – hier citeert Van der Heijden zijn collega Von der Dunk met instemming – verplicht hij zich een tamelijk grote geschiedvervalsersbende in kaart te brengen, die decennialang de macht had om genuanceerde tegenstemmen `in het verdomhoekje te proppen'. Vanuit die optiek moet Van der Heijden ten slotte de hysterische scherprechter Adriaan Venema, die in de jaren tachtig alsnog de ene na de andere `foute' beroemdheid `ontmaskerde', een `icoon' noemen. En dan ben je toch wel ver van de historische werkelijkheid verwijderd, laat staan van een `nuchtere visie' daarop.

Van der Heijden kan in zijn opzet geen plaats vinden voor de nuanceringen die in de loop der jaren óók zijn aangebracht in het geschiedbeeld. Zowel in de literatuur, in het werk van Vestdijk, Hermans, Reve en Mulisch, als in de geschiedschrijving, met auteurs als de genoemde Blom, Wichert Ten Have (over de Nederlandse Unie) en Guus Meershoek (over de Amsterdamse politie).

Zo kritiseert Grijs verleden eigenlijk de verkeerde tendens in de ontwikkeling van het geschiedbeeld in de periode 1945-2001. De werkelijkheid is allang anders. Het goed/fout-paradigma is aan het eind van de twintigste eeuw niet meer het schema dat met `Onderdrukking en Verzet' – zoals een van de eerste naoorlogse geschiedwerken heette – wordt geassocieerd. Als er één significante verandering is in het beeld van de Tweede Wereldoorlog, is het wel dat die in de loop van een halve eeuw is veranderd van een oorlog van Helden in een oorlog van Slachtoffers. De oorlog van het Nationaal Monument is de oorlog van het Auschwitz-monument geworden.

De Holocaustisering van `onze' Tweede Wereldoorlog is in hoge mate een Amerikaans importproduct. Daar zit een grotere propagandistische kracht achter dan het Radio Oranje van De Jong, namelijk het Hollywood van Steven Spielberg. Zo zullen de verschillende oorlogsbeelden die zijn ontstaan, steeds verder uit elkaar komen te liggen. Het grote publiek zal nog lang huiveren bij de serie Daders en Slachtoffers, de historici zullen het beeld voor een beperkt publiek steeds meer nuanceren. Een minstens even belangrijk moment in die ontwikkeling als het Eichmann-proces uit de jaren zestig is de Amerikaanse tv-serie Holocaust uit de jaren zeventig. En dáár heeft dr. L. de Jong niet aan meegeschreven.

Chris van der Heijden: Grijs verleden. Contact, 470 blz. ƒ49,90