Streven naar Groot-Albanië bestaat niet

Sommige waarnemers weten het zeker: de strijd van de Albanezen in Zuid-Servië en die van de Albanezen in Macedonië hebben ten doel een Groot-Albanië te scheppen. Maar er bestaat nergens een noemenswaardig verlangen naar een Groot-Albanië.

Nauwelijks zijn de Kosovo-Albanezen met behulp van de NAVO baas in eigen huis geworden, of de Albanese gemeenschappen in Zuid-Servië en Macedonië komen in opstand, met geweld van `bevrijdingslegers' die in hun afkortingen naar elkaar verwijzen. En het ligt voor de hand daar een verband in te zien.

Dat verband is er, al was het maar omdat de `bevrijdingslegers' in Zuid-Servië en Macedonië door extremisten van het vroegere Kosovo Bevrijdingsleger UÇK van wapens, manschappen en geld worden voorzien. Maar de conclusie dat er in de gebieden rond Albanië op basis van een pan-Albanees gevoel gewerkt wordt aan de vorming van een Groot-Albanië, is daarmee nog niet juist.

Alle buurlanden van Albanië tellen forse Albanese gemeenschappen. Er wonen twee miljoen Albanezen in Kosovo. In Montenegro maken de 50.000 Albanezen 7 procent van de bevolking uit. In Macedonië vormen ze met officieel 400.000 zielen een kwart van de bevolking – zelf houden ze het op een derde. In Zuid-Servië wonen, langs de grens met Kosovo, 80.000 Albanezen en ook Griekenland telt – naast 400.000 gastarbeiders uit Albanië – een 50.000 zielen tellende Albanese minderheid.

Al die Albanezen delen, niet zonder reden, het gevoel dat de opsplitsing van de Albanese natie na de twee Balkan-oorlogen en de Eerste Wereldoorlog een groot historisch onrecht is. Als gevolg van het oorlogsgeweld en beslissingen in verre hoofdsteden kwamen talrijke Albanezen terecht in andere landen met de Albanezen slecht gezinde regimes, zonder vooruitzichten op vereniging.

Maar die collectieve bitterheid geeft anno 2001 bij de Albanese minderheden in Montenegro, Macedonië, Kosovo en Servië en bij de Albanezen in Albanië zelf geen aanleiding tot enig streven naar een Groot-Albanië. Veel relevanter namelijk is dat die Albanese gemeenschappen de afgelopen eeuw uit elkaar zijn gegroeid – politiek, cultureel, en sociaal-economisch. Daar komt nog bij dat de Albanese cultuur, traditioneel een clan- en stammencultuur, niet het zeer krachtige nationale zelfbewustzijn en saamhorigheidsgevoel heeft geschapen dat bijvoorbeeld wel bestaat onder Serviërs en Kroaten.

De sociaal-economische verschillen tussen de Albanese gemeenschappen zijn groot: zij vooral staan een streven naar een Groot-Albanië in de weg. De Albanezen van Montenegro zijn stevig geïntegreerd in de Montenegrijnse samenleving. Het gaat hun goed. Onder hen zijn geen Albanezen te vinden die ernaar verlangen binnen een Groot-Albanië te worden geregeerd door de leiders van het chaotische, zwakke Albanië.

Dat geldt in iets mindere mate ook voor de Macedonische Albanezen. Ze hebben gelijk als ze zich beklagen over discriminatie van de kant van de Slavische Macedoniërs: ze hebben geen hoger onderwijs in hun eigen taal, ze worden in de grondwet achtergesteld bij de Slavische landgenoten en ze worden geweerd uit overheidsfuncties. Maar die medaille heeft ook een keerzijde. Omdat de toegang tot overheidsbanen was afgesloten zijn de Macedonische Albanezen al decennia gedwongen hun brood in de privé-sector te verdienen. En die privé-sector bloeit – relatief, maar in elk geval méér dan de overheidssector waartoe de Albanezen geen toegang kregen. Het gevolg is dat het de Albanezen in hun privé-sector veel beter gaat dan de Slavische Macedoniërs die in hun ambtenarenbaantjes een hongerloontje krijgen – en véél beter dan de Albanezen in het armenhuis Albanië. Het is alleen maar logisch dat de Macedonische Albanezen net zomin als hun volksgenoten in Montenegro voelen voor een Groot-Albanië waarin Tirana de dienst uitmaakt: overheersing vanuit Tirana zou makkelijk kunnen leiden tot een economische achteruitgang. Het Nationale Bevrijdingsleger dat nu in Tetovo en langs de grens met Kosovo actief is, eist geen vereniging met de Albanezen in Albanië en/of Kosovo. Het eist verbetering van de rechten van de Albanezen binnen Macedonië zelf: hoger onderwijs in het Albanees, het Albanees als tweede staatstaal, toegang tot overheidsbanen, grondwettelijke gelijkstelling van Albanese en Slavische Macedoniërs.

Ook in Kosovo, waar het grootste aantal Albanezen buiten Albanië woont, twee miljoen, gaat het de Albanezen beduidend beter dan de Albanese Albanezen. In Kosovo bestaat traditioneel ook een zeker cultureel superioriteitsgevoel ten aanzien van de `achterlijke' Albanezen in Albanië, hetgeen door de grotere welvaart alleen maar wordt aangewakkerd. Als er een Groot-Albanië zou komen, zou dat – volgens de Kosovo-Albanezen – toch zeker vanuit Priština moeten worden geregeerd, en niet vanuit Tirana. Dat evenwel lijkt onhaalbaar, gezien de oudere bestaansrechten van Albanië en het grotere aantal inwoners van dat land. Vandaar dat ook in Kosovo enig pan-Albanees gevoel verre te zoeken is. Kosovo wil onafhankelijk worden – incidentele pleidooien voor vereniging met Albanië vinden er geen brede weerklank. Ook de Albanezen in Zuid-Servië kijken niet naar Tirana: als ze al over een grens kijken, dan naar Kosovo, daar willen ze bijhoren nu het op eigen benen staat.

Zelfs in Albanië is het denkbeeld van een Groot-Albanië niet populair: daar is men vooral bang voor de Kosovo-Albanezen, die rijker zijn en die veel noten op hun zang hebben. Dat gevoel van wrevel en zelfs angst was tastbaar toen onmiddellijk na de val van het steentijdsocialisme van Enver Hoxha en Ramiz Alia in het begin van de jaren negentig de Kosovo-Albanezen in hun auto's – die in Albanië ontbraken – massaal de grens overtrokken en al te zichtbaar Tirana `bezetten': binnen de kortste keren morden de Albanese Albanezen over hun `arrogante' en rijke neven, die zich gedroegen alsof ze op het punt stonden het hele land over te nemen, en die zich dat economisch nog konden permitteren ook.

In Tirana is men er zich zeer wel van bewust dat Albanië kwetsbaar en dat de Albanese staat zwak en ongeconsolideerd is. Zolang dat het geval is, zit niemand er te wachten op vereniging met de Albanezen over de grens. En dat gevoel is wederzijds – in alle betrokken landen.