Roofkunst wordt bezit

Als de familie Di Giuseppe zijn oorlogskunst terugkrijgt, waarom wordt dan zo moeilijk gedaan over de teruggave-claims van de erven Goudstikker, Goodman en Koenigs?

De families Goudstikker, Goodman (Gutmann) en Koenigs hebben hun krachten gebundeld. Zij spreken de Staat aan over `roofkunst': kunstbezit in openbare collecties met een besmet verleden uit de Tweede Wereldoorlog. Teruggave ligt voor de hand, maar ontmoet voorshand forse juridische bezwaren. Maar de `geest is uit de fles', zoals de Amerikaanse vertegenwoordiger Eisenstadt het uitdrukte op een grote conferentie over onbetaalde oorlogsschulden in Washington. Zo zijn in Frankrijk nazaten van de verzamelaars Schloss, Bernheim-Jeune en Gentili di Giuseppe in actie gekomen.

Laatstgenoemde actie heeft tot opmerkelijke resultaten geleid. Frederico di Giuseppe was een Italiaan van joodse afkomst die zich in Frankrijk had gevestigd nadat hij daar als vertegenwoordiger van het ministerie van Financiën van zijn land had gewerkt. Hij was een vermogend man met een mooie kunstcollectie in een chic appartement aan de Avenue Foch in Parijs. Aan de vooravond van de Franse capitulatie overlijdt hij. Zijn kinderen moeten halsoverkop het bezette gebied verlaten en kunnen de nalatenschap niet afwikkelen. Op verzoek van een crediteur gelast een rechtbank de veiling van de collectie bij het bekende Hôtel Drouot. De vordering bedroeg 90.000 frank, de opbrengst van de veiling 4,5 miljoen.

Toen de kinderen later verzochten om teruggave werd dit afgewezen met het argument dat de werken niet waren geroofd, maar keurig verkocht op een openbare veiling in verband met een reguliere boedelschuld. Het Hof van beroep in Parijs vernietigde deze beslissing echter op 2 juni 1999. Op zichzelf had de veiling inderdaad volgens de regels plaatsgevonden, maar het hof herinnerde er aan dat de Duitse bezettingscommandant ,,gevluchte joden'' had verboden om terug te keren. Dat maakte het de kinderen-Di Giuseppe onmogelijk voor hun rechten op te komen.

Het was een ,,buitensporige maatregel'', zei het hof, die de afwikkeling van de erfenis dusdanig compromitteerde dat de openbare verkoop ongeldig was. De familie Di Giuseppe kreeg prompt vier schilderijen, waaronder een Tiepolo, terug van het Louvre waaraan ze in het kader van de recuperatie waren toegewezen. Schikkingen volgden met het Art Institute of Chicago en het Museum of Fine Arts in Boston. Hier was geen sprake van teruggave, maar van een vergoeding, zij het aanmerkelijk onder de huidige marktprijs.

Nazaten

De vraag dringt zich op: als het mogelijk is de familie Di Giuseppe genoegdoening te verschaffen, waarom moet er dan zo moeilijk worden gedaan over de claims als die van de erven-Goudstikker, -Gutmann of -Koenigs? Het antwoord is minder eenvoudig dan het lijkt. Oorlogsclaims kunnen niet op één hoop worden gegooid, zo bleek op de conferentie in Washington. Anders dan met leeggeroofde bankrekeningen of dwangarbeid is er bij de oorlogskunst weinig ruimte voor collectieve rechtszaken. De rechtvaardige en eerlijke oplossing waartoe de conferentie aanspoorde, is ,,afhankelijk van de specifieke omstandigheden van elk geval'', zoals Eisenstadt het uitdrukte.

In Nederland is Koenigs een geval apart, alleen al wegens de Russische connectie. Bij Goudstikker en Gutmann is sprake van een regeling vlak na de oorlog, die door de nazaten wordt aangevochten. Daarvoor is het nu te laat, zegt de Staat: gedane zaken nemen geen keer. Een verschil met de affaire-Di Giuseppe is dat er in dat laatste geval helemaal niets was geregeld; het gerecupereerde kunstbezit werd direct doorgesluisd naar de MNR (Musées Nationaux-Recupération) of geveild.

Juridisch gesputter

Het grote juridische knelpunt bij roofkunst is de verjaring. Deze komt in twee soorten: de ,,bevrijdende verjaring'' en de ,,verkrijgende verjaring''. De eerste variant slaat op het vervallen van het recht om een procedure te beginnen na een bepaald tijdsverloop. De oorspronkelijke eigenaar kan alle gelijk van de wereld hebben, maar hij kan het niet meer geldend maken. Op die manier blijft natuurlijk altijd een wolk hangen boven het hoofd van nieuwe bezitters. Daarom kent het recht ook verkrijgende verjaring, na verloop van tijd wordt de nieuwe bezitter een echte eigenaar.

Nederland gaat wat dit betreft ver. Zelfs een dief wordt op den duur (pakweg 20 jaar) eigenaar. In juridische vakkring is daar wel tegen gesputterd, maar de Hoge Raad houdt er tot dusver onverbiddelijk aan vast dat verjaring werkt als een juridische ,,valbijl''. Een voorbeeld is de uitspraak uit mei 1998 over Klooster in een landschap van Jan van der Heyden dat in de laatste dagen van de oorlog was verdwenen uit de Gemäldegalerie Dresden en nu werd opgeëist door het Land Saksen. Een beroep op billijkheidsoverwegingen – inclusief de internationale acties tegen roofkunst – werd resoluut van de hand gewezen.

In het jaarboek Tijd en onzekerheid oppert R.J.Q.Klomp van de Utrechtse universiteit dat deze ogenschijnlijk ongevoelige houding van de rechter juist wel eens een teken van het tegengestelde zou kunnen inhouden. De aangesproken verkrijger van het werk, in het vonnis alleen aangeduid met C., was volgens Klomp van joodse afkomst. En: ,,welke rechter zou anno 1998 een joodse bezitter willen opdragen een schilderij af te staan aan een besmet Duits museum?''

Klomp is dan ook geneigd ,,minder precedentwerking'' toe te kennen aan deze uitspraak. Toch signaleert hij zelf een belangrijke reden voor de Hoge Raad om vast te houden aan zijn harde lijn: het staat buiten kijf dat de wetgever destijds expliciet de bedoeling heeft gehad zelfs een dief na 20 jaar tot eigenaar te bombarderen. Het is niet eenvoudig voor de rechter om tegen een uitdrukkelijke uitspraak van de wetgever in te gaan.

In andere landen, met name het Anglo-Amerikaanse deel van de wereld, wordt heel anders gedacht over verjaring van gestolen goed. Iedere eerstejaars rechtenstudent krijgt daar ingestampt ,,je kan geen goed recht krijgen van een dief'', memoreerde de voormalige onderdirecteur van het Hirschhorn Museum in Washington, Stephen E.Weil, in een voordracht voor het Instituut voor Kunst en Recht in die stad. Dit dogma lijkt een belangrijke drijfveer voor de activiteiten van de Commission for Art Recovery van het World Jewish Congress (WJC) dat onder meer de families Goudstikker, Gutmann en Koenigs steunt.

De vuistregel ,,geen goed recht van een dief'' belichaamt een elementaire eis van gerechtigheid, aldus Weil, maar ook in de VS gaat hij niet onbeperkt op. Zo is er het gebod van ,,due diligence'': van degeen die het werk terugeist worden eigen activiteiten geëist. Een voorbeeld is de zaak-De Weerth uit 1987 over Korenveld bij Vetheuil door Monet, dat tegen het eind van de oorlog was verdwenen. De verdwijning werd in 1946 door de familie gemeld aan de militaire autoriteiten. In 1948 nam zij een advocaat in de arm en in 1955 raadpleegde zij een kunstexpert. In 1957 werd het werk nog eens als vermist opgegeven, maar daarna stopten de naspeuringen tot het doek in New York opdook.

Een federale rechtbank vond dit voldoende om de eis tot teruggave toe te wijzen, maar in hoger beroep vernietigde het hof van beroep het vonnis. De verdwijning was niet gemeld aan de speciale ,,Collection Points'' voor roofkunst van de geallieerden en niet gepubliceerd in lijsten die bij musea circuleren. Het hof achtte het bovendien onacceptabel dat de zoektocht bijna vijfentwintig jaar was onderbroken. In de tussentijd verscheen een ,,catalogue raisonnée'' over Monet, maar die werd niet geraadpleegd.

Weil karakteriseerde het vraagstuk van de verjaring als ,,een strijd tussen twee slachtoffers''. De ene is de bestolen eigenaar, de tweede een nieuwe bezitter die zonder het te beseffen in een valkuil blijkt te zijn gestapt. Dit dilemma is minder makkelijk op te lossen dan het WJC het wel eens voorstelt. De conferentie in Washington zag dan ook al gauw af van het aanvankelijke voornemen bindende internationaalrechtelijke verplichtingen op te stellen. Daarvoor zijn de verschillen tussen de Anglo-Amerikaanse en Europese rechtssystemen te groot. De laatste poging om op dit vlak iets te bereiken was een internationaal verdrag over de teruggave van illegale (gestolen, gesmokkelde) kunstobjecten dat vijf jaar geleden in Rome werd gepresenteerd door de organisatie Unidroit.

Omstreden

Het Unidroit-verdrag is omstreden, niet in de laatste plaats wegens het terugdringen van de verjaringsmogelijkheden. Toch zouden zelfs onder dit royale regime de meeste claims voor de teruggave van oorlogskunst afvallen, noteerde Patrick J. O'Keefe in het juridisch tijdschrift Art, Antiquity and Law. Zelfs in Frankrijk, waar de rechter de familie Gentile di Giuseppe tegemoetkwam, gaat de regering er van uit dat een claim bij de rechter veelal geblokkeerd zal worden. Daarom heeft zij in 1999 de speciale commissie-Drai ingesteld. Dat is niet zozeer een rechtsprekend orgaan, als een instantie voor verzoening en bemiddeling.

Beslissingen tot teruggave zijn voor musea makkelijker te nemen dan voor de overheid, zegt het hoofd van de inspectie cultuurbezit Charlotte van Rappard-Boon in de jongste aflevering van Museumvisie. De overheid moet rekening houden met het rechtsherstel van na de oorlog. Er wordt in feite een tweede oordeel over dezelfde zaak gevraagd en dat ligt juridisch altijd moeilijk. Musea hebben daar minder last van. Maar dat maakt hun opgave nog niet eenvoudig, zo blijkt uit het geval van Het Gebed van Jan Toorop uit 1907 in het Zeeuws Museum dat dit in 1981 heeft verworven.

De Commissie gedragslijn van de Museumvereniging kwam in mei vorig jaar tot de conclusie dat het museum het verzoek om teruggave van een kleinzoon van de oorspronkelijke eigenaars mocht weigeren. Desondanks dient er ruimte te blijven voor ,,een redelijke en billijke oplossing die recht doet aan het grote emotionele belang van de kleinzoon aan de ene kant en het grote collectiebelang van het museum anderzijds''. De commissie opperde een bruikleenconstructtie.

Het is voor de kleinzoon echter een onverteerbare gedachte dat het werk hangt in een land van waaruit zijn grootouders op transport naar Bergen Belsen zijn gesteld. Een uitweg is dan nog niet in zicht, rapporteerde de Museumvereniging rond Kerstmis.