`Religie en wiskunde hebben dezelfde basis'

Nadat de Indiaas-Amerikaanse wiskundige Manil Suri was gaan nadenken over de spirituele aspecten van zijn bestaan, schreef hij zijn debuutroman `Het trappenhuis'. ,,Ik heb geprobeerd de lezer een vals gevoel van veiligheid te geven.''

,,Ik breng het grootste gedeelte van mijn tijd door met dagdromen. Heel nuttig, zowel voor wiskundig onderzoek als voor de literatuur'', zegt de Indiaas-Amerikaanse hoogleraar wiskunde en, sinds kort, romanschrijver Manil Suri. Schrijven beschouwde Suri (Bombay 1960), die op zijn twintigste naar de Verenigde Staten vertrok voor een carrière in de wiskunde, lange tijd als een `hobby', een die hij zelfs verborgen hield voor zijn collega-wiskundigen in Baltimore. Maar sinds hij zijn debuutroman The Death of Vishnu publiceerde, is geheimhouding geen optie meer: het boek werd zo enthousiast ontvangen dat zijn agent Suri direct op promotietournee door heel de Verenigde Staten stuurde, en vervolgens door de rest van de wereld. Afgelopen week was hij in Amsterdam ter gelegenheid van de verschijning van de Nederlandse vertaling, Het trappenhuis, bij uitgeverij Prometheus.

Dromen, van dagdromen over filmsterren tot koortsvisioenen en apocalyptische religieuze openbaringen, spelen een belangrijke rol in The Death of Vishnu. De roman speelt zich voor een groot deel af in het trappenhuis van een appartementengebouw in Bombay, waar de klusjesman en oppasser Vishnu op sterven ligt – de figuur is losjes geïnspireerd op de klusjesman die woonde en stierf in het trappenhuis van het gebouw waar Suri opgroeide.

Behalve de flarden herinneringen en visioenen van de half in coma verkerende Vishnu beschrijft het boek de levens van de overige in het gebouw wonende mensen: Mrs Pathak en Mrs Asrani, die verwikkeld zijn in een onverzoenlijke vete over het gebruik van de keuken, hun sullige echtgenoten, de treurende weduwnaar Mr Taneja, het moslim-gezin Jalal, de schoonmaakster. ,,Het trappenhuis is in feite een microkosmos van India,'' aldus Suri.

Satires

Terwijl een groot deel van de roman lijkt op de satires van Indiase zeden die we bijvoorbeeld ook kennen van Vikram Seth, vindt er een verschuiving naar tragedie plaats, wanneer gebeurtenissen aan het eind van het verhaal gewelddadig escaleren. ,,Ik heb geprobeerd de lezer aan het begin een vals gevoel van veiligheid te geven'', zegt Suri hierover. ,,Het weerspiegelt het dagelijks leven in India: zo gebeuren die dingen daar. In een flits is er geweld en keren mensen zich tegen elkaar, zoals in de rellen in Bombay van 1992-93, zonder dat je weet waarom, en het is onmogelijk je erop voor te bereiden. In dit opzicht is het boek een commentaar op de minderhedensituatie in India.''

Oorzaak van het geweld hier is een religieuze openbaring die Mr Jalal heeft ondervonden, en waarvan hij zijn hindoeburen deelgenoot probeert te maken. Het is vooral dit personage en zijn monomane zoektocht naar verlichting – naast de al even religieus geïnspireerde koortsdromen van Vishnu – die het boek ver doen uitstijgen boven de gemiddelde zedenkomedie. Jalal, een rationele intellectueel, probeert zijn eenvoudige vrouw jarenlang van haar religie af te brengen, zonder resultaat. Uiteindelijk begint hij te twijfelen: is het misschien een tekortkoming van zijn eigen intellect waardoor hij haar en al die andere miljoenen Indiërs niet begrijpt? Hij begint een systematische zoektocht naar religeuze ervaring om dit te verifiëren, via swami's, zelfkastijding en een wandeling in een bos. Suri: ,,Ik ben heel wreed tegen Mr Jalal, ik zet hem neer om hem te bespotten. Hij wordt vooral gedreven door zijn ego en ijdelheid, geen goed begin voor een zoektocht naar onthechting en verlichting.''

Uiteindelijk krijgt Jalal een visioen waarin manusje-van-alles Vishnu voor hem verrijst als de gelijknamige godheid, compleet met apocalyptische taferelen en exploderende zonnen. Suri: ,,Het is een heel beroemde scène uit hoofdstuk elf van de Bhagavad Gita, die ook werd geciteerd door Robert Oppenheimer toen hij voor het eerst een atoomexplosie zag.'' Jalal herkent echter het citaat niet; hij meent dat hij door Vishnu is verkozen als profeet, om een verzoening tussen moslims en hindoes te bewerkstelligen. ,,Jalal is gebaseerd op de zestiende-eeuwse keizer Akbar'', legt Suri uit. ,,Die had ook een mystiek visioen en kwam vervolgens met Din Ilahi, een soort synthese waarin hij alle religies in zijn rijk probeerde te combineren. Het was een ramp. Toen ik er voor het eerst van hoorde op school leek het me een nobel idee, maar later ontdekte ik dat Akbar zichzelf naar voren had geschoven als een soort halfgod, een tussenpersoon voor het volk, dat daar niets van wilde weten. Na zijn dood was het meteen afgelopen met Din Ilahi. Mr Jalal heeft last van een soortgelijke grootheidswaanzin.''

Mr Jalal mag dan een onderwerp van spot zijn, de religieuze aspecten van het boek zijn wel degelijk serieus bedoeld. ,,Het is zeker geen satire op het streven naar verlichting'', aldus Suri. ,,Een van de redenen voor het schrijven van dit boek is dat ik steeds meer ging nadenken over de spirituele aspecten van mijn bestaan, en de schijnbare contradictie tussen religie en rationeel denken.'' Toen hij verschillende religieuze teksten las als onderzoek voor het boek, vertelt Suri, viel het hem telkens weer op dat er bepaalde fundamentele overeenkomsten waren tussen religieuze en wiskundige systemen.

Axioma's

,,Zowel religies als wiskunde heeft in feite een axiomatische basis. Ze zijn gebaseerd op grondregels die niet bewezen kunnen worden, maar simpelweg moeten worden aangenomen of geloofd, omdat ze zo evident zijn, of door God gegeven, of beide,'' stelt Suri. ,,Maar die zo vanzelfsprekende axioma's kunnen veranderen. Zo is de regel dat twee parallelle lijnen elkaar nooit kunnen kruisen, niet meer geldig in de niet-euclidische meetkunde. Een van de vanzelfsprekende aannames in de Bhagavad Gita is dat het niet erg is om iemand te doden, want je stuurt hem slechts door naar een volgend bestaan. Je hoeft het daar niet mee eens te zijn om vanuit dit gegeven toch tot een consequent systeem of verhaal te komen, en dat probeer ik ook in het boek.''

Hoewel Suri zichzelf een agnosticus noemt, vertelt hij zich nu te realiseren dat hij zich toch het beste thuisvoelt bij een levenshouding die hindoeïstisch is in origine. ,,Al die dingen als, je moet je dharma of plicht vervullen, proberen je ego te overwinnen, je geen zorgen maken over de vruchten van je daden, alleen je best doen, dat zijn idealen die ik probeer na te streven. Ik weet niet of dat religieus is in de traditionele zin van het woord, waarschijnlijk niet. Als wiskundige ben ik nog altijd heel logisch, en ik geloof niet in een goddelijke entiteit. Ik denk wel dat de drie facetten van de godheid, Shiva de vernietiger, Vishnu de bewaarder en Brahma de schepper, geweldige constructies zijn om verschillende facetten van ons leven te verklaren.'' Hij ziet The Death of Vishnu dan ook als het eerste deel van een trilogie, die ook nog de delen Het leven van Shiva en De geboorte van Brahma moet gaan omvatten.

Waar het klassieke hindoe-epos een duidelijke invloed vormt op Suri's werk, verklaart hij zich nauwelijks te hebben laten inspireren door moderne Indiase auteurs. ,,Ik bewonder weliswaar schrijvers als R.K. Narayan en V.S. Naipaul, maar heb met opzet weinig gelezen van de laatste, om aan zijn invloed te ontkomen. Veel belangrijker voor mij waren de pulpromannetjes die ik als kind verslond. Ik hecht nog steeds veel waarde aan vaart en een goede plot.''

Bovenal is film een vanzelfsprekende, onontkoombare invloed, meent hij. Dat is ook te merken aan de ontelbare verwijzingen naar films in zijn roman. Suri's personages zien zichzelf in relatie tot films, modelleren zich naar filmhelden. Suri: ,,Het is het centrale referentiekader voor iedere Indiër. Film overstijgt er religie, klasse, is de grote gemene deler van de Indiase samenleving. Je hoort dingen op straat die makkelijk dialoog in een hindifilm zouden kunnen zijn.''

,,Maar daarnaast'', vervolgt hij, ,,is de aanwezigheid van film in het boek ook een manier om met de illusoire aspecten van het bestaan te spelen. Een van de centrale ideeën in de hindoefilosofie is immers dat de alledaagse werkelijkheid slechts maya is, een illusie.'' En zo zijn we vanzelf weer bij het begin aanbeland; de dromen en dagdromen waar het boek uit ontstond.

Manil Suri: Het trappenhuis. Uit het Engels vertaald door Sjaak de Jong. Prometheus, 268 blz. ƒ39,50