Politieke partijen kunnen niet zonder hun leden

Veel politieke partijen zijn op zoek naar een nieuw organisatiemodel om enerzijds professioneel campagne te voeren en anderzijds leden te stimuleren mede het partijbeleid te bepalen. Maar een goed functionerende ledenorganisatie garandeert nog geen goede verkiezingsuitslag, meent Philip van Praag.

Vandaag en morgen congresseert de PvdA in Rotterdam. De aandacht van de media gaat vooral uit naar de vraag wie de nieuwe voorzitter zal worden. Veel minder wordt er gesproken over de ideeën over partijvernieuwing. Opmerkelijk is echter dat alle kandidaten beloven de partijdemocratie te herstellen. Dat is niet slechts lippendienst om de steun van de congresafgevaardigden te verwerven. Het is vooral een teken dat de PvdA, maar ook veel andere partijen in en buiten Nederland worstelen met de vraag welke rol de leden nog kunnen spelen.

De afgelopen tien jaar zag men in veel partijen een tendens de invloed van de leden terug te dringen. De al dan niet expliciet uitgesproken filosofie was dat partijen zich moesten organiseren als een strak geleid professioneel apparaat met als voornaamste doel het winnen van de verkiezingen. Kader en leden zouden nog maar marginaal invloed mogen hebben op de koers van de partij. Het lidmaatschap wordt dan getransformeerd tot een vorm van politieke en financiële steunbetuiging aan de politieke leider. Deze ontwikkeling deed zich niet alleen voor bij de PvdA, maar ook bij de SPD en CDU in Duitsland, de Labour Party van Blair, en zelfs enigszins bij een partij als GroenLinks. Als deze tendens zich voortzet krijgen we een geheel nieuw type partij: de campagnepartij, ook wel omschreven als de partij volgens het Greenpeace-model.

Deze ontwikkeling in de richting van een campagnepartij is een begrijpelijke reactie. Partijen functioneren in toenemende mate in een maatschappelijk krachtenveld dat ze nauwelijks nog kunnen beheersen. In alle Westerse landen hebben ze te maken met drie vergelijkbare structurele ontwikkelingen die grote politieke en electorale onzekerheid met zich meebrengen.

In de eerste plaats is de relatie tussen partijen en kiezers de laatste decennia drastisch veranderd. Het aantal burgers dat lange tijd, zo niet een leven lang, trouw is aan een partij, vermindert van jaar op jaar. Het aantal kiezers dat aangeeft altijd op dezelfde partij te hebben gestemd is de laatste tien jaar in Nederland gedaald van ongeveer de helft van het electoraat tot eenderde. Ongeveer de helft van de kiezers had in 1998 pas de laatste maand besloten op welke partij men ging stemmen. Partijen en politici worden door de kiezers steeds meer beoordeeld op hun wijze van optreden en op hun prestaties. Het dwingt partijen permanent in de gaten te houden hoe de kiezers de partij, haar belangrijkste politici en haar beleid percipiëren en waarderen. Dit doet het belang van een goede professionele verkiezingscampagne toenemen.

Een tweede structurele ontwikkeling betreft de veranderingen in het medialandschap. Vanuit de optiek van de partijen gaat het om twee ontwikkelingen. Het televisie-aanbod is de laatste tien jaar enorm toegenomen. Het heeft tot een fragmentatie van het publiek geleid en tot een felle concurrentie om de aandacht van de kijker. Voor politieke partijen wordt het moeilijker bepaalde groepen te bereiken. Bovendien volgen de media de politiek thans op basis van professionele criteria en zien ze het niet langer als hun taak het publiek dagelijks te informeren over de belangrijkste gebeurtenissen in de politiek. Journalisten accentueren graag hun onafhankelijkheid door het kiezen van een eigen veelal kritische invalshoek. Partijen reageren hierop met een uitgedokterde strategie van nieuwsmanagement. Verder bestaat bij partijen een groeiende behoefte zonder tussenkomst van journalisten te communiceren met de kiezers, bijvoorbeeld via dure televisiespotjes, websites en e-mail.

In de derde plaats is het karakter van de grote partijen zelf drastisch veranderd. Niet alleen is het aantal leden drastisch teruggelopen, hun motieven zijn ook veranderd. Betrokkenheid en inzetbaarheid voor de partij is verminderd. Als men wat voor de partij wil doen zijn het zeker niet de traditionele afdelings- en campagneactiviteiten.

Deze drie structurele ontwikkelingen creëren een grote mate van politieke en electorale onzekerheid voor partijen. De druk om alle beschikbare middelen aan te wenden om de campagne zo succesvol mogelijk te laten verlopen, wordt steeds groter. De investeringen in geld en menskracht worden door partijen vanuit een oogpunt van risicominimalisering als noodzakelijk gezien.

De laatste jaren begint echter in sommige partijen langzaam het besef door te dringen dat de verdere ontwikkeling naar een campagnepartij ook haar keerzijde heeft. De keuze voor een campagnepartij miskent het feit dat er nog steeds grote groepen burgers zijn die wel belangstelling hebben voor de publieke zaak, voor het politieke debat over relevante maatschappelijke onderwerpen. Die burgers – veelal hoogopgeleid – die als partijlid bereid zijn hun schaarse tijd te besteden aan partijactiviteiten, willen echter wel serieus genomen worden. Ze willen niet alleen meedenken en discussiëren, maar ook een zekere invloed hebben.

Het zijn deze burgers die er voor kunnen zorgen dat partijen in de samenleving geworteld blijven, die de beroepspolitici kunnen voeden met ideeën en die een tegenwicht kunnen vormen tegen het machtsdenken van de dagelijkse politiek. Partijen realiseren zich weer dat gemotiveerde en betrokken leden niet alleen lastig kunnen zijn, maar ook onmisbaar menselijk kapitaal vormen voor de organisatie. Zonder die leden worden de risico's waar partijen aan bloot staan slechts groter.

Het CDA is in Nederland de partij die zich als eerste, na het politieke en electorale debacle van 1994, is gaan herbezinnen op de rol van zijn ledenorganisatie. Bewust is er door de christen-democraten de laatste jaren geïnvesteerd in de eigen organisatie. Als experiment kunnen leden nu rechtstreeks via de website van de partij meediscussiëren over het nieuwe verkiezingsprogramma. Ook andere partijen zoeken naar methoden om leden bij de partij te betrekken en invloed te geven buiten de traditionele afdelingsvergadering.

De PvdA kiest ervoor de leden niet alleen via kenniscentra nieuwe mogelijkheden te geven zich met de koers van de partij bezig te houden. Men wil daarnaast via een nieuw in te stellen Politiek Forum de afdelingen, functionele werkgroepen en kenniscentra een platform geven invloed uit te oefenen op de koers van de partij.

Dat betekent zeker niet een terugkeer naar de jaren zeventig, toen het kader via de partijraad als een schaduwfractie meeregeerde. Op termijn zal de ontwikkeling eerder gaan naar vormen van rechtstreekse invloed van de leden, via ledenraadplegingen. Als het experiment van Leefbaar Nederland lukt om sympathiserende kiezers de volgorde van de kandidatenlijst te laten vaststellen, zal dat ongetwijfeld invloed hebben op de andere partijen.

Veel partijen zijn op zoek naar een nieuw organisatiemodel, met een evenwicht tussen een partij die enerzijds in staat is op professionele manier campagne te voeren, en anderzijds de eigen leden serieus neemt en hen stimuleert op hoofdlijnen het beleid van de partij mede te bepalen. Een goed functionerende ledenorganisatie garandeert op korte termijn zeker geen goede verkiezingsuitslag. Leden kunnen de partijleiding nog steeds behoorlijk voor de voeten lopen. Op de lange termijn is het wel een voorwaarde voor levensvatbare partijen.

Philip van Praag is als politicoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

heeft ook haar keerzijde